Een penning die hij nimmer zou terugzien in de vreugde op het gezicht van zijn mede-arme.
Want de penningen werden het goud van de kerksieraden, van de bisschopsstaf en de mijter.
De eenvoudige linnen schaamtelap was ontaard in zijde en kant en goudbrokaat ...
De ogen van Josua brandden. Hij zag de gezichten: Teutonen, Iberiërs, Russen, Polen, Hongaren, Friezen, mannen van Lombardije, van Zweden, van Britannië. Hij sprak tot zich zelf, maar woorden kwamen niet over zijn lippen.
... Ge zijt gebleven die ge waart. Aanbidders van Wo-dan en Thor, van de Zon en de Wind, van de Donder en de Regen, van de Monsters en de Demonen. Ge hebt Zijn afschuw tegen het doden niet begrepen. Ge hebt Zijn warm gevoel voor de worstelende mens niet meegevoeld. Ge hebt Zijn mensenliefde alleen met de mond beleden en ge hebt u honderdschappen gevormd om te strijden voor uw eigenbelang. Heidenen zijt ge gebleven, bloeddorstige dieren, levend naar uw instincten. God is voor u geen begrip, slechts een woord, leeg, zonder in-houd...
Josua Mocatta stond op. Verwijderde zich omzichtig, ging staan naast een pilaar. Keek weer over alles, door alles, door de volle leegte ...
... Jood van Nazareth, ik begrijp u. U bent één van ons. Uw bloed was van ons bloed. Uw bloed Is ons bloed, zal ons bloed zijn voor alle tijden. Geen concilie, geen kerk-
106