reeds sedert decennia oprecht rooms voelde en handelde.
‘Mijn respect - en uw vrijheid van handelen is hersteld, senhor Mocatta.’
‘Mijn respect, senhor provoost.’
Een koopman stond op. Met brede stappen kwam hij nader, plaatste zich tussen de provoost en Mocatta. Keek hen beurtelings en vorsend aan.
‘Senhor provoost ,wij willen terug naar onze kolonie in Antwerpen, naar onze vrouwen en onze zaken. Mij dunkt dat uw vragen en antwoorden ons vertrek hebben vertraagd. Wilt u daarom zo goed zijn ons naar de Dom voor te gaan? Wij willen de Heer danken en bidden voor behouden terugkeer.’
‘Is dat het verlangen van u allen?’ vroeg de provoost. Hij keek opmerkzaam rond, de handen vragend gespreid. Josua Mocatta glimlachte. De manier waarop de provoost met zijn handen gebaarde was typisch joods. Het gezelschap stond op. De provoost stelde zich aan het hoofd. Josua Mocatta sloot de stoet.
Hij liep. Zonder zich ervan bewust te zijn. Zoals een mens ademhaalt. Zijn gedachten gingen weer naar het land van zijn jeugd. Hij zag ...
... een processie te Lissabon, waarin hij meeliep als koorknaap, tenger, angstig, met vragende ogen. En in de verte, voorop, het Kruis. Met daaraan de afbeelding van de Dood ... en opeens besefte hij het Heden - hij, Josua Mocatta, weer meelopend in een kleine stoet, op weg naar de Dom . .. Daar zou weer het Kruis zijn. Met daaraan weer een afbeelding van het Lijk. De doornenkroon, de bloedstraaltjes op het voorhoofd en aan de
104