ben zij veel moeten betalen. Net zo duut als bij de Vene-tianen. Waarom gaf u exclusiviteit aan de Joden?’
‘Senhor provoost, heb ik tegenover de Zweden en Polen mala fide gehandeld? En de Joden, mochten zij winst nemen op bona fide gekochte goederen? En, senhor provoost, waren uw vragen binnen het raam van uw bevoegdheden?’
‘Senhor, ik ben de provoost van de Portugese kooplieden. Ik doe wat naar mijn inzicht juist is. Bent u het daarmee niet eens, daagt u mij dan tot voor het Hof van Me-chelen. En vergeet niet, senhor, dat uw voorouders Joden waren en dat de heren inquisiteurs geslachten lang het oog zullen houden op de kinderen van Marranos.’
‘Dank voor uw historische uiteenzetting, senhor provoost. Wil nu mijn vragen beantwoorden. Was het huis Mocatta bona fide of mala fide?’
De provoost keek hem lang en diep in de ogen. Josua Mocatta keek beheerst en ondoorgrondelijk terug. Hij zag opeens in dit gezicht familietrekken van een hem bekende vrouw. Mocatta’s ogen begonnen te fonkelen van ingehouden pret, maar met ijzige stem vervolgde hij:
‘Senhor provoost, kent u het huis Orabuena?’
Ook de provoost bleef onverstoorbaar, hoewel in zijn ogen één moment van schrik was opgevlamd en gedoofd.
‘Ik ken het huis Orabuena, senhor Mocatta. De afstammelingen zijn rechtschapen mannen. U kunt hen vertrouwen. En mijn antwoord op uw eerste vraag is: u hebt bona fide gehandeld.’
Josua Mocatta boog. Toen zij elkander daarop nog even in de ogen keken, was er verslagenheid in die van de provoost. Want Josua Mocatta had juist gezien. Ook de provoost was een Marranenkind. Ofschoon het geslacht