om hen vlug te helpen met het ontdoen van hoeden en jassen en goudbeknopte wandelstokken. De jas van Tobias van Cleeff is met astrakantbont gevoerd, ook hij demonstreert zijn rijkdom.
Alsof een geheimzinnige bode heeft gewaarschuwd, openen zich de boogvormige deuren naar de ontvangzaal en Ignaz en Jolanthe komen hun gasten in de marmeren hal tegemoet. Verrast kijkt Jolanthe naar de ernstige mannen, die stijlvol voor haar staan; in hun fijnlaken rokkostuums en smetteloos linnen, hun zwart satijnen kuitbroeken en zwart zijden kousen, hun lage lakschoenen met zilveren gesp, hun zware gouden chatelaines ter rechterzijde zichtbaar onder de insnit van de rok. Abraham Lezer draagt zijn huwelijkscadeau, de chatelaine van goud en email, een meesterwerk, dat ziet Jolanthe met één blik. Zij glimlacht statig, Ignaz is wat gemoedelijker en nodigt hen met prettige woorden uit binnen te gaan.
In de grote marmeren schouw brandt een eikeblokkenvuur en rond de haard staan de Louis XV fauteuiltjes, verguld het hout, en de zitting en leuning bekleed met kostbaar gobelin. En voor het vuur een lage tafel met rood-marmeren blad.
Ignaz is de oude heer behulpzaam en plaatst hem vlak bij de haard. Jochanan zit naast hem als een trouwe waakhond en Abraham recht tegenover het hoogopvlammende vuur, want Jolanthe en Ignaz hebben plaats genomen tegenover Tobias en zijn zoon. Dan knikt Ignaz welwillend, ten teken dat hij de woorden van Tobias van Cleeff verwacht. De oude heer sluit even de ogen, strijkt nadenkend over zijn korte welverzorgde baard, zegt dan, zijn gastheer vastberaden aankijkend met zijn donkere aartsvaderlijke ogen: „Uw zoon, de heer Manuel Bel-monte, vroeg mij om de hand van mijn dochter Mirjam, mijn jongste kind, mijn laatste ongehuwde. Mijnerzijds is er geen bezwaar, indien dit huwelijk mijn dochter gelukkig maakt.”
Ignaz Belmonte antwoordt: „Het huwelijksaanzoek is gedaan door onze zoon Manuel, niet door mij, noch door mijn vrouw. Want onzerzijds is er bezwaar. Voorop wensen wij te stel-
96