ders? Kan ik loskome van dat geteisem? Ene keer ben ik an ze vastgeraak en nou, bij het minste datte ze merke da’k loswil, steke ze me overhoop. Zoveel weet ik nou.”
„Wil je dan los, Levie?” vraagt Abraham mild.
Hij schudt van neen en zegt gesmoord: „Ik ben te bang.” „Ik zal je verlossen, Levie. Straks.”
Hij kijkt naar Abraham, ongelovig en haalt de schouders op. „Straks,” herhaalt Lezer, „straks, nd Manuel Belmonte.” Levie wuift vermoeid en onverschillig met de hand, keert zich om en verlaat de keuken. Als zij hem de trap horen opstommelen, zegt Sheintje: „Brammie, ik wist niet. ..”
„Nee, Sheintje, je wist niks, maar je kon het vermoeden. Een jonge kerel zonder een baas of handel, waarvan moet hij leven? En jij, Sheintje, je liet hem toch niet rentenieren?” „Hij slaapt en eet hier, Brammie. En zakgeld krijgt hij ook iedere week.”
„Waarom heb je hem niet aan het werk geranseld? Jij kunt je toch niet vergelijken met de rijke jidden, die hun kinderen onderhouden? Stom is ’t, die misplaatste ijdelheid, want ik geloof niet in een ziekelijke moederlijkheid van jou.”
„Misschien toch, Brammie,” antwoordt zij dof, en hij bemerkt opeens de tragedie in haar treurige ogen.
„Sheintje, waarom dan?”
„Weet men .. . weet men? Weet men, waarom men zwak is? Hard als een bikkel voor het ene en zacht als was voor ’t andere? Weet men?”
Hij rijst op, en klopt haar op de schouder. „Zodra ik klaar ben voor Manuel Belmonte, zal ik Levie naar Engeland sturen. Buiten hun bereik en in goede handen. Omdat je eens zwierige Sheintje bent geweest, die Spaans danste met castagnetten.” Haar hoofd bonkt in gierend huilen op het avonturenboek, wentelt onbeheerst heen en weer.
En Abraham Lezer verliet zonder groet de keuken, keek op naar de sterren en ademde diep de klare vrieslucht.
93