Toen Abraham die avond thuiskwam stond een deel van de Buurt nog voor zijn deur. Men wilde hem uit zijn huurrijtuig zien stappen, de traditionele keer dat hij reed om zijn rijke klanten zijn nieuwjaarswensen te gaan aanbieden. Men wilde dan zijn nieuwe kleren zien, want met zijn nieuwjaarskostuum paste hij zich aan bij de mode en, sinds zijn huwelijk, ook tot in de finesses. Want Josina had smaak en een scherp oog voor tegenstellingen en foutjes; concessies, die Brammie vroeger wel met zichzelf in orde praatte, bestonden niet meer. En de Buurt was nu ook nieuwsgierig wat er gebeuren zou, na de nederlaag van Jan Hey. Zij werden teleurgesteld, want Abraham ging snel naar binnen en rekende weer niet af met de koetsier. Er viel dus niets te beleven en daarom drentelden zij maar weg, zo nu en dan omkijkend, want „misschien ja, misschien ja zou er toch iets gebeuren.”
Abraham vindt twee stille vrouwen. Josina, die de laatste tijd goed vooruitgaat en enkele uren per dag mag opstaan, is nu weer naar bed gegaan. Mirjam zit bij haar en staart wat angstig voor zich uit. Nu hij binnenstapt in de slaapkamer, kijken de vrouwen blij en verwachtend naar hem op, want zijn forse vijftig jaren, verfrist door de winterse dag, stralen kracht en manlijkheid uit.
„Waarom tobt mijn harem,” zegt hij opgewekt.
Zij glimlachen en Mirjam staat op om plaats te maken, zodat hij bij het bed van Josina kan zitten.
„Wil je koffie, Brammie?” vraagt zij.
„Mirjam, hoe kan je het woord koffie uitspreken, aan het eind van nieuwjaarsdag! Sien, ik geloof dat ik zoveel koffie heb moeten drinken, dat ik de hele Buurt ermee kan zogen.”
„Brammie, foei, denk eraan dat er een jonge vrouw in de kamer is,” zegt Josina zacht verwijtend. Hij doet of hij het niet hoort en vervolt: „Mirjam, geef mij maar een schoteltje natte gember, dan kan ik al de opgeslokte welwillendheid brandend ombrengen. Hu, wat een dag! En ieder jaar verza-
87