zijn gehaald uit hun kostbare huizen in Amsterdam en alle steden van Holland, uit Antwerpen en Hamburg, uit Frankrijk, uit Zwitserland. Dat Manuel Belmonte zich met een vast doel voor ogen de kostbare luxe heeft gepermitteerd om hen zijn gast te laten zijn vanaf het moment dat zij hun huizen verlieten. Manuel is nu ernstig. Zijn rolstoel staat voor het geweldige, vlammende haardvuur, zijn handen houdt hij gevouwen. Dan geeft hij een stille wenk en Ignaz rijdt hem naar Abraham Lezer, die slechts één stap in de zaal heeft gedaan en nu omlijst wordt door de grote boog van de dubbele deuren. In het midden van de zaal houdt Ignaz in. Manuel wenkt Mirjam en zij loopt naar haar zwager, maakt een diepe révérence en biedt hem haar voorhoofd voor een kus. Nu, nadat deze hidalgo Manuel Belmonte, die soms een strenge en stijlvolle etiquette gebieden kan, zijn vrouw de eer heeft gegeven, laat hij zich verder rijden en grijpt de hand van zijn zwager. En glimlacht.
„Welkom, zwager. Dit huis is heden het jouwe. Vier je zeventigste verjaardag te midden van allen die van je houden.”
„Waarom dit, Manuel? Waarom dit zó onderstreept,” vraagt hij zacht.
„Omdat dit de enige manier is. Hier is ons geschenk. Een vreemd cadeau voor degenen die je eerst heden zien.”
Mirjam reikt hem een groot etui. Abraham Lezer knipt het open.
Hij ziet een gouden Davidsster, bevestigd aan een stuk oeroud cederhout, dat versplinterd is algebroken. Een duizendjarige antiquiteit.
Hij kijkt op.
En ziet de menigte van al wat groot is onder de joden van West-Europa.
En ziet Jettie en Mordechai, dicht naast elkander.
En ziet de kinderen van David en Lea.
En ziet Mirjam en Ignaz, haar zoon.
En ziet Manuel . . . Mani, deze grootse mens.
314