de jomtef maakt hem mild en de woorden van gisteren is hij, is... neen, wil hij vergeten.
De volgende avond zal hij gaan naar het diner bij Manuel. Jettie is reeds lang vooruit, want zij heeft gezegd Mirjam te willen helpen omdat er nog enkele gasten onverwacht zouden komen.
Op de brug over de Wijnhaven kijkt hij onwillekeurig naar het huis van Manuel dat op de hoek van de Bierhaven zich machtig verheft. Hij houdt stil want equipages rijden af en aan voor de hoge openstaande deur, waaruit een stroom van licht gulpt. Langzaam loopt hij verder, wil nog wat dichterbij gaan om te zien wat er gebeurt. Wat voor dwaasheid zal Manuel nu weer doen, hij wil niet aanzitten met een groot gezelschap, neen, hij is niet in een stemming om te feesten op dit soort dagen, die herinneren aan het vervlogen geluk met Josina.
Hij wil stil weglopen langs de bomen aan de wallekant, een donkere figuur komt uit een schaduw en zegt: „Deze kant, oom Bram. Er is geen vaarjool.” Het is Ignaz Belmonte; de slanke jongeman neemt zijn hoed af en maakt een lichte buiging.
„Beste jongen, laat mij door. Ik wil niet, ik wil niet feesten.”
Abraham wil hem zacht terzij duwen, maar daar zijn nog drie elegante jongelieden die buigen en hem eerbiedig doch zeer beslist in hun midden nemen en hem naar het helverlichte huis brengen. Hij moet gaan naar de speciale garderobekamer, zij helpen hem met het ontdoen van hoed en overjas, keuvelen wat met hem totdat de buigende butler hun verzoekt hem te volgen.
In de grote balzaal van dit enorme patriciërshuis wordt het stil als hij binnentreedt. Hij ziet de lichte spot wijken op de gezichten van de rijke Portugezen, die komen móésten op dit feest van de machtige Manuel Belmonte. Hij bespeurt ontzag in hun ogen, nu zij deze patriarch zien, die hun geschilderd is in vreemde verhalen. Zij beseffen dat zij niet voor een grapje
313