De volgende dag was het joods nieuwjaar. Een groot feest, sabbat en nieuwjaar op één dag.
Abraham Lezer gaat ter kerke. Langs dezelfde weg, die hij vijftig jaren ging. Vijftig jaren, want morgen zal hij zeventig worden en sinds zijn twintigste woont hij in Rotterdam.
Hij wandelt weer door de Westewagenstraat, over de brug van de Blaak, langs de Glashaven naar de Boompjes waar de sjoel staat in al zijn achttiende-eeuwse voornaamheid. Hij peinst, daarom bemerkt hij niet dat hij alleen loopt, dat de falanx uit de Buurt, die hem jaren volgt, er nu niet is. Als hij voor de synagoge staat keert hij terug in het heden en vergeet de gelukkige jaren met Josina van Cleeff.
Het brede smeedijzeren hek is geopend, en de grote deuren boven aan de hoge hardstenen stoep. De koperen kronen zijn gevuld met kaarsen, die alle zijn aangestoken. De zware rode loper met de brede koperen roeden ligt uit, daarom is hij verbaasd. Want dat doet men alleen voor koning Willem, als hij eens komen zou om een dienst van zijn joodse onderdanen bij te wonen.
Abraham kijkt omhoog en fronst reeds de wenkbrauwen om deze vrijheid, maar daar is reeds de nieuwe kerkeraad.
„Wat betekent dit?” vraagt Abraham streng.
„Men wordt maar eenmaal zeventig jaar. En niet iedere jood wordt door zijn qehiloh geëerd,” antwoordt de jonge Mendel van Leeuwen, „mag ik de eer hebben u te begeleiden?”
Even is Abraham beduusd, even. Dan bestijgt de oude, strenge heerser de stoep en betreedt de kerk die sprankelt van licht en overvol is. Weer staat hij stil en monstert de kerkgangers. Hij herkent velen uit de medinoh, maar hij ziet ook vele christenen uit de rijke buurten, en velen van de Zandstraat en de Dijk, die wat onwennig drommen tegen de muren, achter de banken. Rotterdam, zijn Rotterdam is gekomen om hem te eren voor het goede dat hij deed ...
Men wacht totdat hij zijn gebedsdoek heeft omgedaan, eerst
311