gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land dat u de Heere geeft.’
Ik weet dat het voor u die hier komt in armoede en met pijnen moeilijk is te geloven dat God rechtvaardig was jegens u. Vraag niet, want er zal géén antwoord zijn, maar volgt de Goddelijke bevelen op... God heeft een doel.”
Men zwijgt en begrijpt het niet, spiedt verlangend en begerig naar de zakjes geld die op tafel staan. Men schuifelt met de voeten, men kucht. En Abraham begrijpt. Hij kijkt ook naar de zakjes, dan naar zijn commiezen, want er staan er veel meer dan anders, belangrijk meer dan hij voor deze dag heeft bestemd. Zijn eerste commies fluistert hem iets in het oor, daarom moet Abraham opkijken naar Manuel Belmonte, die tergend langzaam zijn kneveltje punt en wiens ogen vriendelijk vonken. Abraham knikt nadenkend, gaat zitten, en de commiezen beginnen met de bedeling.
Toen de zaal was leeggestroomd, ieder met veel geld voor dit nieuwjaarsfeest, wachtte Belmonte op zijn zwager. Abraham vroeg: „Waarom deed je dit, Mani... ben ik niet vrijgevig genoeg, iedere week?”
„Brammie, je bent een weldadig mens. Een voorbeeld. Daarom wilde ik niet achterblijven.”
„En verder, Mani...? En verder, beste jongen?”
„En verder verwachtte ik een preek van je. Die wilde ik voor hen wat verzachten. Want wat heb je aan woorden, als je groen ziet van de honger of je hele leven op krukken verslijt?”
„Praat ik te veel, Manuel?”
„Veel te veel... de onhoorbare weldadigheid, dat is een ideaal.”
Abraham gaf geen antwoord meer. Hij groette niet en verliet de zaal. Om zich te baden en te kleden voor de vrijdagavond, want het zou vroeg sabbat zijn.
310