„Wie van de mannen van Oud Israël is wedergeboren in jou, Manuel?”
„Dat is van geen belang. Niets heeft belang in dit statische heelal, want alles is bepaald en geschiedt volgens een eeuwige inzetting. Onze gedachten en wijsgerigheid zijn waardeloos... Rij mij naar huis, Abraham... ik wil niet verder inhaken in je brein, ter wille van de mensen, daar in de stad, die een vaste burcht zo nodig hebben.”
Het schemerde toen Abraham zijn zwager naar huis had gebracht. Geen woord spraken zij nog. Alléén hun handdruk was lang en krachtig, met afgewend gezicht.
Toen werd het vrijdag. De armen stonden weer voor de deur voor de wekelijkse bedeling. Er stonden honderden van de Buurt en het Rode Zand en van de Dijk, uit alle wijken, want een gerucht was rondgegaan dat vandaag, voor joods Nieuwjaar, een extra uitkering zou worden gegeven. De commiezen komen naar buiten en zeggen dat in de Nutszaal zal worden betaald, omdat de winkel hen niet allen kan bergen.
Het wordt een lugubere optocht van armen en invaliden, steeds langer omdat ook burgers meelopen, belust op een nieuwtje.
In de zaal, voor het toneel, staat de bekende middeleeuwse tafel. Er zijn een paar dienders en speurders, want nog steeds is de zorg van de gepensioneerde commissaris om Abraham Lezer.
Dan komt hij en neemt plaats achter zijn tafel. Het is stil in de volle zaal, waar het riekt naar zweet en ziekte en armoede. Een man stapt naar voren, draait zijn pet rond in de handen en is nerveus.
„Een woordje, meheer Brammie, van ons allemaal, names de arremoei en de rotzakkerij. We hope dat u daaro tot honderd jaar mag zitte en uitdele. Dank voor alles wat u dee. . en hier is wat voor uwes jaardag, die binnen een paar dage komp.”
307