stok, die klem staat op het voetenplankje van zijn rolstoel.
„Spreek verder, Mani... of hoor je de Noormannen?”
„Niet de Noormannen, maar het morrende volk van je getto en het door hen aangestoken volk van de Dijk en de Zandstraat en alle wijken van de stad. Het volk, dat je God hebt ontnomen.”
„Een god heb ik hun ontnomen. De huisgod van Abraham, Isaac en Jacob, de woestijngod van Saul en David. Ik heb hun de Grote God van het Heelal willen tonen.”
„Geef hun God terug. Brammie. Laat het hun huisgod zijn. Laat het hun god zijn, die hen geen ogenblik met rust laat, die hen de gehele dag beloert met een dreigend vlammend oog. Die god is hun vei’rouwd, die zit mee aan het ontbijt, is bij hen in de zaak, rijdt mee op de hondekarren de polder in. Staat vooraan bij de besnijdenis en de bar-mitswo en de goepoh. Geef hun die god terug, die toeziet dat de mezoezoh aan de deurpost is bevestigd en dat hun kippen kosjer zijn geslacht. Die bij hen is bij ziekte en in het stervensuur. Waarmee zij kunnen praten als met zichzelf. Met wie zij kibbelen om een zonde, die zij vergeving smeken en toch weer steeds bedriegen. En steeds opnieuw vergeving vragen en de onzinnigste dingen beloven als zoenoffer. Die God moet je ze teruggeven, Brammie, en niet een ademtocht in een niet te begrijpen Eeuwige Oneindigheid.”
Zacht ruist de wind, onafgebroken rijen zich de golven, hoog daarboven zweven welgevormde wolken. Onhoorbaar schuiven de schepen, soms komt een zwak geluid uit de verte, een lach, een roep, het krijsen van een vogel. Minuten en minuten verstrijken en nog steeds antwoordt Abraham Lezer niet. Zit als een dode met gesloten ogen, de handen steunend op zijn stok. Dan kijkt hij en antwoordt: „Heb ik zó gezondigd, Manuel?”
„Je hebt gezondigd tegen de woestijn- en huisgod. Niet tegen de God van het heelal. Bij de huisgod behoort je menselijke nietigheid, verlaat Hem niet.”
306