ijzer en leder, nu onzichtbare beestjes in het drinkwater. De ijzervreters vergaan tot stof ... Hartog Swaab in zijn sjabbespak met cilinderhoed en wikkeldas ook tot stof... en maar doodslaan ... met zwaarden of met beestjes.”
„Brammie, waarheen wil je?”
„Nergens... ik denk maar en zeg maar iets... hier aan het water... tegen jou.”
„Dat doe je veel en dikwijls, Brammie, de laatste tijd. Men mompelt...”
„Ik weet het en ik heb er maling aan.”
„Brammie, je wordt een oude wijsgeer. Oude wijsgeren zijn een pestilentie voor de maatschappij.”
„Dank je, Manuel.”
„Mijnheer Lezer, in deze rolstoel zit een jonge wijsgeer, ook een bezoeking voor een maatschappij. Maar hij houdt zijn mond voor de massa en speelt met zijn wijsgerigheid en zijn theorieën, alléén en op zijn schoot. Maar nu, aan deze rivier en onder deze boom voelt hij zich als aan de Eufraat. Er zijn meer joden aan het mijmeren geslagen aan de Eufraat. Lach niet, zwager, en luister wat ik heb overdacht. Kijk eens, Brammie, je lijdt aan dezelfde kwaal als de krantenmensen en de sociale volksmenners, die gaan opkomen als de cholera-beestjes in het drinkwater. Zij hebben een nieuwe theorie ontdekt of zien iets vanuit een andere hoek. Opeens beginnen zij te gillen en te schreeuwen en verstoren de rust van een ander, die nu direct moet vernemen wat hen zo heeft opgewonden. Jij, Brammie, ontdekt opeens in je binnenste een twijfel aan God, althans je hebt een ander beeld verzonnen van zijn verschijning. Een soort universele, nonchalante Kracht, voor wie het gewriemel op déze planeet en nog een dozijn andere geen waarde heeft of geen tijd heeft om het op te merken. Slechts het Heelal met zijn miljoenen werelden is zijn conceptie en behoeft zijn supervisie. Mogelijk, Brammie, maar...”
Hij zwijgt en steunt met de kin op de knop van de wandel-
305