tussen zijn schatten. Stond nadenkend voor een herdersstukje van Watteau en voor een Chanoekaluchter met een Davidsster. Dacht aan Josina, zijn vrouw, en voelde de vurige kussen van Jettie weer branden op zijn wangen ...
Op een dag vindt Manuel Belmonte zijn zwager aan de oever van de Maas. Reeds vanuit de verte heeft hij de figuur herkend, zittend op een vermolmde bank onder een eenzame, stoere boom. Hij ziet dat hij onbeweeglijk staart over het water en Manuel wordt wat treurig, zo eenzaam is dat beeld van de oude man aan de machtige rivier. Hij maant zijn kamerdienaar tot spoed en als de zwagers elkander ontmoeten is hun glimlach verademend, want twee mensen die elkander mogen zijn weer eens bijeen. De dienaar rolt Manuels wagen naast de bank, zodat zijn patroon nu ook het volle gezicht heeft op de levendige, zonnige stroom.
„Ga naar huis, Gerard. Mijnheer Lezer zal mij wel mee terug nemen naar de stad. Zo niet, dan wacht ik hier totdat de Noormannen de rivier weer eens opvaren. Van de schrik hoop ik weer te kunnen wegrennen.”
De kamerdienaar buigt en gaat. Abraham en Manuel zitten even stil te kijken naar de schepen en de wolken, de golven en de vogels. Dan: „De Noormannen, zei je toch, Mani?”
„Dat zei ik, Brammie. Maar je kunt net zo goed een andere ploeg ellendelingen nemen om me weer gezond te laten schrikken.”
„De Noormannen,” peinst Abraham hardop.
„Wat wil je toch van die Vikings, Brammie? Ben ie bang dat ze al in Schiedam zijn en straks de bocht zullen omvaren?”
„En als zij dat nu eens deden, Mani, wat maakt het dan voor verschil? Of de cholera terugkomt of de Noormannen dat is hetzelfde, want er komt altijd iets terug dat moordt. Mani... ik begrijp niet waarom de eeuwige stofwisseling is ingesteld met een eeuwige verkleedpartij. Tóén mannen in
304