mensen. Zie ons niet te veel als een kudde, die moet bijeen-blijven. Laat hen uitzwermen en leven.”
„Mordechai... ik wil niet meer redetwisten. De tijd is mijn bondgenoot. Als je zo oud zult zijn geworden als ik, bijna zeventig jaar, dan zul je me begrijpen. De mens moet leven onder een knoet, anders gaat hij ten onder aan zijn liederlijkheid. Een volk moet bijeen blijven, wil het bestaan.”
„Een volk? ... God schiep mensen ... geen volken,” fluistert Mordechai.
„Zwijg nu, rabbi... het was genoeg,” zegt Abraham Lezer bars.
Hij gaat zitten, neemt een sigaar en rookt. Mordechai blijft aan tafel zitten met het hoofd in de handen. En is vertwijfeld. De uren verstrijken stil.
De deur wordt zachtjes geopend. Daar is Jettie. In haar blanke- nachtpon, die reikt tot de grond, met een grote sjaal om de schouders tot over het middel, met een doek om de haren, geknoopt onder de kin, het gezichtje strak omlijstend als een Madonna, de ogen behuild en zacht, het neusje rood, de lippen vol en kuis ...
Abraham springt op en roept: „Jij...?”
„Ja, oom Bram ... er waren twee sleutels.”
Abraham Lezer buigt het hoofd en bijt in zijn pols om zich te kunnen beheersen. Zij horen hem heel diep zuchten en hij loopt langs hen en zegt: „Aan hem ben je verantwoording schuldig. Niet meer aan mij, want ik trek mijn handen van je weg.”
De deur dreunt dicht en zij horen hem naar zijn kamer gaan. Dan is het stil in huis...
De volgende morgen vond Abraham Lezer hen slapende in zijn bergère bij de lege haard. Zij lag op Mordechai’s schoot, haar gezichtje half verborgen in zijn hals. Het damasten tafelkleed bedekte hen beiden.
Hij ging in zijn winkel. Nam achteloos een zilveren vouwbeen op en tikte ermee in de palm van zijn hand, drentelend
303