de rabbi wordt geroofd door Mozes. Houdt ’m tege, jongéés!”
Abraham Lezer is reeds bij de deur, de portier opent vlug want hij kent Abraham zeer goed en morgen zal de fooi groot zijn. Mannen dringen op, maar de portier staat in het deurgat als een rots en het valt hem niet moeilijk hen terug te duwen.
Met uitzonderlijke passen rent Abraham langs het West-nieuwland, over de Grote Markt, langs het Steiger naar de Westewagenstraat, Jettie meesleurend, die huilt en lacht, om beurten, omdat zij droiïken is.
De trap kan zij niet opklimmen, zo uitbundig moet zij lachen. Daarom pakt hij haar op in zijn sterke armen en draagt haar naar boven in haar kamer. En de dronken Jettie heeft haar armen om zijn hals geslagen en zoent hem. . . zoent hem op wangen en ogen en op zijn witte snorren, want zijn lippen heeft hij naar binnen getrokken om haar duivelse kussen te ontgaan. Hij werpt haar op het bed als een vod en verlaat snel de kamer. Hard klikte de sleutel in het slot van de kamerdeur, die hij van buiten sloot. En hij hoorde haar maar lachen en lachen, zodat hij rilde slan schaamte en tegenzin.
Hij gaat weer op straat, naar de oude Semmie Pieper en beveelt hem te gaan naar rabbi Mordechai Speyer. Dat hij moet komen, onmiddellijk.
Een uur wacht hij en heeft vele, vele gedachten.
Mordechai Speyer komt en vindt hem zitten bij de lege haard. De ogen zijn onheilspellend hard, zodat de jonge geestelijke schrikt.
„Ga naar boven, rabbi, en vind er je bruid... als een del op haar bed!”
Met een harde tik valt de sleutel die Abraham hem toewierp en Mordechai niet wilde vangen, op de grond. De rabbi is geheel van streek, slaat de handen voor de ogen en gaat aan tafel zitten. Dan kalmeert Abraham Lezer. Hij staat nu op, ontsteekt meer kaarsen en drentelt door de kamer. Hij gaat achter Mordechai staan, klopt hem op de schouder en zegt: „Verbreek de verloving... je zult nooit rust hebben met die
301