dood is ook maar ’n vent... ha, ha!!... en as tie de kans krijg...”
„O ... jij vuile schuinsmarcheerder, ken jij een fatsoenlijke vrouw niet in d’r hemp in de kist stoppe . . . wacht effe, jij rotdood... ik zal je leire na de meissies te glure... wach effe...”
„Hiero, pak an ... jij en jij en jij auk, gezag, allemaal in de houte doos ... niks geen verschil... allemaal met je blaute bille... de burgemeester niet en de commissaris niet... en koning Wullem ook niet... ha ha.”
Er dringt zich een troep jonge mannen voor de poppenkast, zij zijn luidruchtig en licht beschonken. Een van hen stapt overmoedig achter de kast, duikt onder het gordijn en tilt de verschrikte poppenspeler op, zodat zijn gezicht in het toneelraam verschijnt. De man vloekt ongelofelijk vanonder zijn bruine snor en spuwt kwaadaardig zijn tabakspruim uit om beter zijn hart te kunnen luchten. De uitgekauwde pruim treft de borst van Abraham Lezer en maakt zijn witte overhemd ontoonbaar. Het volk giert om het dispuut tussen de boze Abraham en de poppenspeler, die nog steeds door het toneelraam staat te schreeuwen en te vloeken tegen de jonge kerel die hem met ijzersterke handen omhoog tilt. Als men dan eindelijk is bedaard en uiteengaat, zoekt hij tevergeefs naar Jettie, die in het tumult van hem is gescheiden.
Dan begint voor Abraham Lezer een dooltocht langs alle plaatsen waar kermis wordt gehouden. Hij gaat langs de meeste etablissementen en eindelijk naar huis om een schoon overhemd aan te trekken en te zien of de oude vrouw haar plicht doet, die is gehuurd om op te passen bij de kinderen van David en Lea, nu de dienstmeisjes hun bedongen kermisavond houden. Jettie is niet thuis.
Een hevige onrust en een drift overvallen hem, het is reeds laat en het volk buiten wordt steeds driester. Kermis in Rotterdam wordt fel gevierd door deze overwegend puriteinse bevolking, die eens per jaar uit de band springt; en Abraham
299