Jettie van Bienen wil nog even naar mevrouw Van Leeuwen. Zij heeft de sjaal afgeborduurd, die bestemd is voor een bazaar ten bate van de armen. Want nog steeds is er geld nodig voor de achtergeblevenen. En dan... Jettie is nieuwsgierig naar de kramen en de spullen, als een rechtgeaarde Rotterdamse. Abraham kijkt streng als zij verlof vraagt om te gaan.
„Na de kermis kan men de sjaal óók nog brengen, Jettie. Die mesjoggaas van de bazaar is pas in september.”
„Het is geen mesjoggaas, oom Bram. Men is weer gierig geworden en geeft alléén als men er weer wat voor terugkrijgt.” „Weet ik, weet ik. Maar of die doek nu hier ligt of bij mevrouw Van Leeuwen, dat is gelijk. En... op deze avonden gaat een vrouw zeker niet alleen op straat.”
„Ga dan mee, oom Bram.”
„Ik? Godbewaar.”
Jettie kent haar middelen. Zij gaat voor hem staan, slaat de armen om zijn hals en zoent hem op de baardige wang. Langzaam. argeloos. Argeloos? De vraag schrikt hem op en hij kijkt in haar groene ogen, waarin heel diep verborgen toch nog een vonk smeult. Dat van vroeger, een niet te ontleden iets, de ziel van een temeijoh.
„Toe nou, oom Bram, ga nu mee. Even maar langs de muziek en het leven. Het was allemaal zo somber.”
„En Mordechai?”
„Hij leert vanavond ... uitgerekend vanavond, op kermis.” Hij knikt en dan is het voor haar maar even om zich te kleden voor de kermis. Zij geeft hem een arm en drukt zich tegen hem aan in de volte voor de kramen. Alles wil zij zien met haar glinsterende pret-ogen, zij wil gooien in de porselein-kraam, schieten met de onzuivere geweren en de dikke dame zien, waarbij Abraham de ogen stijf dichtknijpt. Zij draait mee in de mallemolen en Abraham maakt een praatje met de spullebaas en voert eigenhandig het paard wat suikergoed, dat hij gekocht heeft voor het arme geblinddoekte dier.
Dan zijn ze voor de poppenkast. Het spel van het eenvoudige
297