Langzaam verlaat men de synagoge. Ontdaan, angstig en humeurig. Heftig verlangend naar een nieuwe opperrabbijn, die hen zal kastijden met een donderrede en God weer zal plaatsen als een regerend Vorst in het midden van hun dagelijks leven.
De weken en maanden vergingen. De Buurt verkilde en verwijderde zich van Abraham Lezer. ‘Geld . .. dat maakt ongelovig, geld ... dat is de vijand van God. Kijk naar Brammie Koperentuit... hij geeft wel veel aan de armen, maar zijn hart is weg. Is al jaren weg sinds Josina gestorven is! Geld en boeken, gaven Gods en wapens tegen God’, dat zeiden de oude vrouwtjes tegen elkander met genepen ogen en getuite mondjes. ‘Maar het zal hem opbreken, met Haqodaush boeroech hoe is het kwaad kersen eten’, zeiden zij huiselijk.
Kermis in Augustus van 1849. Het volk van Rotterdam barst los en zoekt vertier na het bloedige gericht.
Door de hele stad verspreid staan de spullen en de kramen, de muziek schettert op de vreemdste plaatsen en de frisse zomerlucht is overwonnen. Want het riekt naar bakolie en haring, naar zure mosselen en gerookte paling, naar bier en jenever. In de cafés en restaurants is het blauw van de sigare-rook en het is er warm en stoffig. De rijke jongelui trekken van het 'Franse Koffyhuis’ naar het ‘Rhijnsche Hof’, van ‘Hotel St. Lucas’ naar de 'Hertog van Wellington’, naar alle etablissementen. F.n dan naar de Dijk en de Zandstraat en het Rode Zand, maar dan is het reeds nacht en ze zijn dronken.
De Buurt is somber en gedenkt haar doden. Sluit zich bevreesd en boos op; en kan de uitbundigheid van de gojim niet begrijpen. Hoe kan men! Nog geen halfjaar geleden! Kan bij ons niet gebeuren, bij ons duurt de rouw een jaar. Een jaar geen vertier, geen muziek en de mannen scheren zich niet. Vol protest eten zij die dagen sober, sluiten de gordijnen zodra het schemert en trachten het feestgedruis van de straat te weren.
296