Vorst van de ballingschap

Titel
Vorst van de ballingschap

Jaar
1955

Pagina's
324



bank van Abraham Lezer, door een onzichtbare hand gewezen.

Hij is gehuld in zijn witte kleed, als op Grote Verzoendag. Zijn grote gebedsdoek met de brede zilveren kraag omgeslagen, op het hoofd de ronde puntige witte muts met de zilveren rand. Kaarsrecht en stoer, de grijze ogen vanonder de borstelige wenkbrauwen vorsen en monsteren de qehiloh, onderzoekend en gebiedend. Het is stil in de kerk, slechts de jonge, frisse stem van Mordechai Speyer zegt een gebed. Die stem is een belofte voor de toekomst... een levend bewijs dat Gods zegen wederom zal neerdalen op deze gemeente.

Daarna gaat Abraham Lezer naar de héchal, bestijgt de tre-van de doechan, langzaam, beheerst en fors. Keert zich naar de qehiloh. Een kort gebaar opdat de kerkgangers zullen gaan zitten en luisteren. Men staart naar de eenzame blanke rots, die hun enige leider is geworden... Hij spreekt: „Men heeft mij gevraagd waarom Haqodaush boroech hoe deze stad heeft getuchtigd en ons verdriet vermeerderd. Deze vraag past ons niet want ons leven is geen reeks uitsluitend goede en trouwe daden, noch reine gedachten. Ons leven is een bonte reidans, om en om een goede daad, een zonde, een verdorvenheid, en boze gedachte. Waarom het Opperwezen straft, welke van onze handelingen Hem niet welgevallig zijn, wij zullen dit nimmer weten omdat onze normen menselijk zijn en de Zijne goddelijk.

Zijn wij schuldig aan daden die velen uwer thans zien als de oorzaak van Gods toorn? Neen ... de Almachtige schiep de mens als een tweeslachtig wezen. Hij... en geen ander. Hij maakte ons naar het oerbeeld van de Schepping, dat is het Licht en de Duisternis, de Dag en de Nacht. Hij nuanceerde het Licht met dreigende donkere wolken en de Nacht met flonkerende sterren. En zo is de geest van de mens, licht en donker met duizenden schakeringen.

Ik zeg u dit opdat gij niet verder zult leven, belast met een denkbeeldige schuld, gekromd onder een zelfkastijding die de levensvreugde verstikt. Gij zult moeten trachten weer vrolijk te zijn, vrij van angst en bijgeloof, overtuigd van de genade

294

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.