de Boompjes was opgerend om hulp te zoeken, toen hij Abraham Lezer voor dood vond zitten op de bank der rabboniem.
Abraham is geheel bezweet, zo hevig was zijn droom. De koster gaat haastig om water en een handdoek. Een deskundige jonge dokter Waterman geeft hem iets volgens een recept uit het Venetiaanse boekje.
Dan wordt hij kalm, koelt zijn handen en polsen in het water, wrijft met de natte doek over het gezicht. Hij glimlacht nu tegen de drie mannen die rond hem staan op het almemor, waar grote kaarsen branden die Mordechai heeft ontstoken.
„Dank... mijne heren ... het was zo vreselijk.”
„Wat?” vraagt de dokter onderzoekend en zakelijk.
„Wat...” herhaalt Abraham langzaam, „wat... ik zal het u nooit kunnen vertellen, aan niemand.”
De jonge mannen zwijgen, men ondervraagt geen patriarch.
„Breng mij naar huis, Mordechai. Sluit de kerk, shamesh. En dank voor uw medische hulp, dokter Waterman.”
Hij staat op. Krachtig en beheerst.
Eenzaam ... geestelijk eenzaam.
De cholera vreet verder. Christen en jood.
De geestelijken roepen hun gemeenten naar de kerken om te bidden om een einde en de zielerust van de gestorvenen.
Ook in de' synagoge zal een dienst worden gehouden, want honderden zijn gevallen in de Buurt, zonder onderscheid deed de Engel des Doods zijn werk. Rijk en arm ... hij heeft gemaaid volgens zijn opdracht.
Uit de medinoh zijn velen gekomen om te bidden voor verlorenen in de stad, daarom is de kerk vol. Maar de zetel van de opperrabbijn is leeg, de bank van de parnassijns, de bank van de rabboniem.
Angstig kijkt de Buurt naar de lege plaatsen, de mannen stil en somber, de vrouwen wat nieuwsgierig, door het hekwerk van hun galerij.
En dan ziet de gehele qehiloh om naar één plaats, naar de
293