Zij was het liefje van Arie Rietborn ... een even grote boef als ik, toen. Ik heb willen profiteren van die misdaad... Ik heb die daad gestolen om voor jouw ogen te paraderen als een stoere, duivelsmoedige minnaar, wiens geest een tarnkap moest zijn voor zijn mismaakte lichaam.”
„Manuel heeft het geweten, Benaja... vreemd is dat. Waarom dat alles, waarom jaren van je leven in de gevangenis, terwijl ik toch niets voor je kon zijn... terwijl ik je toch niet kon vereren omdat er slechts één man in mijn leven is ... Manuel.”
,,Ik heb mijn voldoening gekregen. Toch heb ik de erkenning bereikt, maar anders. Wat ik die avond in Rotterdam in je ogen zocht, verering en ontzag, die heb ik eergisteren gezien toen ik kwam. Ik, de ervaren dokter, kwam om te trachten je man te redden. Ik heb beide ook gezien in de ogen van de boeren, ik genoot reeds ontzag van mijn patiënten in Rotterdam. Ik heb gevloekt om dit lichaam, ik heb eens geroepen dat ik een scherts van het Opperwezen was. Ik ben geen scherts van Hem, ik ben een werktuig, een vreemd maar betrouwbaar gereedschap in Zijn handen.”
„Benaja ... je hebt gebogen tot in het stof,” fluistert zij.
De avond begint te vallen, een zware melancholie trekt over de bossen in de verte, nadert over de stille korenvelden en nestelt zich in hun harten. Hij ziet dat zij angstig wordt en kent de oorzaak.
„Kom hier... naast mij zitten. Ik zal je vertellen van mijn reizen, van mijn kennis en wetenschap. Zoals vroeger zul je mijn lichaam niet zien, slechts mijn geest zul je weer ondergaan; thans om je door deze uren heen te helpen.” Hij ontstak de kaarsen in de tafelkandelaars en zij zat naast hem, tot ver na middernacht. Luisterde naar zijn welluidende stem en hoorde zijn grote ervaring. En werd zo rustig dat zij zich haar onrust niet meer herinnerde. Toen stuurde hij haar naar bed en ging waken bij Manuel Belmonte. De volgende morgen vond zij hem nog steeds naast het bed van de slapende Manuel.
290