Zij kuste hem in de ogen en zat op de rand van de bergère. En hij sliep in, met zijn hoofd rustend in de holte van haar blanke arm.
De Engel des Doods speurde ook in het kasteel van Manuel Belmonte. De kiem van de ziekte heeft hij meegedragen, want nauwelijks is hij op het buiten of hij ligt ziek. Mirjam vecht voor zijn leven, verbeten verplegend en het huis beredderend, want het personeel is her- en derwaarts gevlucht voor deze demon, de cholera. Zij ziet hem achteruitgaan en de dorpsdokter weet nauwelijks wat er moet gebeuren, jaagt uit angst voor besmetting zoveel mogelijk lieden weg uit de naaste omgeving.
Op een middag, als zij de dood op Manuels gezicht meent te zien, pakt haar de radeloze angst en komt de bezinning. Zij roept haar zoon Ignaz, dit evenbeeld van zijn vader, een jongeman die trouw en stil zijn moeder terzijde staat en zijn jonge leven niet acht.
En hij rijdt de nacht in. Eerst te paard, dan met snelle sjezen of tilburies, al naar hij kan krijgen. Hij slaagt altijd, bij nacht en ontij, want het geld van Belmonte is goud en overvloedig. Tegen de middag van de volgende dag is hij in Rotterdam en zoekt dokter Benaja Stibbe.
Even sloot dokter Benaja de ogen, één moment trilden zijn lippen. Toen zond hij een jonge assistent naar zijn collega dokter Waterman en liet zijn clementie vragen voor een afwezigheid van enkele dagen. Dokter Waterman kwam zelf het antwoord brengen, onderzocht snel Benaja Stibbe en gaf hem poeders volgens de Venetiaanse recepten en nog meer dingen om te trachten het leven van Manuel Belmonte te redden. En hij beloofde zorg voor de patiënten van Benaja Stibbe.
Voort snelden weer de reiswagens, in bonte rij, voort naar het Gelderse. En het goud van het huis Belmonte vloeide nog rijker om deze twee mensen terug te brengen naar het ziek-
288