Die avond stierven de opperrabbijn en de parnassijns. Abraham ging naar de radeloze kerkeraad om het bestuur over de qehiloh in vaste handen te nemen, autoritair als een heerser, niet duldend dat over iets zou worden geredetwist.
Tijdens zijn afwezigheid komt Mordechai Speyer om hem te halen, want er moet geld zijn voor een gezin waarvan de vader is gestorven.
Jettie kijkt angstig naar hem, naar zijn dodelijk vermoeid gezicht, naar de wat gebogen rijzige gestalte.
„Ga zitten, Mordecha., ik zal wat voor je klaar maken.” „Nee... Jettie, ik kan niet, er is zoveel te doen. Zoveel... dat ik er bang van word.”
„Ga zitten . . . zeg ik je. Je kunt al het leed niet op je nemen. Méér dan een mens kan dragen behoeft hij niet te nemen.” „Hoeveel kan een mens dragen, Jettie, hoeveel? Men mag geen medelijden hebben met zichzelf.”
„Zoals jij er nu uitziet... dat is de grens, Mordechai. Niet méér, ik wil niet dat het meer wordt, versta je!!”
Zij stampvoet door een plotselinge drift, dan komt zij naar hem toe en pakt hem beet met felle handen en drukt hem neer in een bergère bij het vuur. „Zitten!! . . . zeg ik. En slapen. Het is genoeg, het is genoeg! Laat God Zijn overwinning, met Hem kun je toch niet vechten.”
Ze loopt opgewonden door de kamer, doelloos en kriskras. Dan is zij opeens naast hem en vlijt zijn moede hoofd in de holte van haar arm. „Ik wil je niet verliezen, Mordechai . .. ik wil je niet verliezen. Jou wil ik . . . jou . . . als man.”
Zijn ogen zijn gesloten, een intense vrede trekt over dit vergeestelijkte gezicht, dat lange smalle Esseeër gezicht, dat gelaat van een donkere Christus. . .
„Jettie . . .”
„Wil je me? Wil je me .. . mij... de temeijoh?!!”
„Misschien heeft God erbarmen en laat ons passeren, Jettie. Ik zal goed voor je zijn, zo goed als ik kan. Zo goed ... als een rabbi kan zijn voor z’n vrouw en zijn qehiloh.”
287