Sternfeld, van Mozes Ziekenoppasser, van Hartog Swaab, van tientallen.
En Hij sloeg ook het huis van David Houtkruier.
Eerst stierf David, stil en waardig en tevreden, zoals hij had geleefd. Lea ging heen in laaiende opstand tegen haar lot, God vervloekend om de twee kinderen die als wezen zouden achterblijven.
Geheel ontdaan heeft Jettie bij haar bed gestaan toen de laatste ogenblikken waren gekomen en Mordechai met verstikte stem sheimauth zegde voor dit hartstochtelijke goede mensenkind, dat verrot lag op zijn bed. Verrot met een kroon van blonde haren.
Jettie nam de twee kinderen mee naar Abrahams huis en zij zal nooit het ogenblik vergeten toen de weesjes klein en angstig stonden voor de stoere patriarch. Het jongetje Elia, het evenbeeld van zijn vader met mooie, donkere ogen, het kleine kapje op het achterhoofd en de krullen eromheen. En Rachel, het meisje, blond en rozig als haar moeder, zuigend op haar duimpje en zich verschuilend achter haar broertje. Streng en mild stonden de klare, grijze ogen van Abraham Lezer, streng door bijna zeventig jaar levenservaring, mild om de hulpeloosheid van deze kinderen. Dan komen er tranen in zijn ogen, omdat hij denkt aan David Houtkruier, wiens zoon voor hem staat. Hij denkt jaren terug toen David kwam vragen om een baantje in de lompenhandel. Alles komt weer terug, dat van Rachel Houtkruier, van Josina, die zijn leven is geweest. Hij draait zich om en slaat de handen voor de ogen. En zegt: „Jettie . . . zowaar ik leef . . . deze kinderen zullen van mij erven. Met jou . . . ieder voor een derde.”
Toen huiide de stoere aartsvader en hij verborg het niet voor deze kinderen, noch voor Jettie, noch voer Mordechai Speyer, die weggedrukt in een hoek stond tegen de muur, met gesloten ogen waaromheen de kassen donker waren gekleurd.
286