huishoudens waar de moeder ziek is of gestorven, wast zieken en doet en doet. Haar knappe gezichtje heeft een verbeten trek, haar ogen staan streng en vastberaden en lonken nimmer meer. Een oude dominee, die haar bezig ziet in een christen-gezin kan maar niet begrijpen dat er gemompeld werd van dit meisje met het diaconessengezichtje.
En Abraham Lezer gaat door de stad, door de Buurt en het Rode Zand, over de Dijk, in de wijken tussen Delftsevaart en Oostpoort, ook langs de Nieuwe Haven en het Haringvliet, overal. Hij springt bij met geld waar het nodig is, bij arm en rijk waar de patroon is gestorven, hij neemt samen met zijn commiezen zaken in beheer totdat de koopman zal zijn genezen. En voor hem is er geen verschil tussen jood en christen. Reeds eenmaal heeft hij zijn Londense bankier opdracht gegeven om geld te remitteren naar zijn kassier te Rotterdam, omdat hij voor het eerst van zijn leven daar debet stond.
En Sheintje Rosenfeld in haar nieuwe woning in de Oppert wacht met angst op de slag. Zij verwacht de ziekte, die haar zal straffen voor haar hoogmoed en haar late levenslust. Ook zij heeft het hare gedaan; alle uitstaande vorderingen heeft zij kwijtgescholden en zich voorgenomen geen geld meer uit te lenen tegen hoge renten en slechts nog beleggingen te kiezen op lange termijn tegen drie procent per jaar. Zij heeft genoeg, dat heeft Abraham haar verteld, voor wel twee levens in overvloed in een mooi huis. En met de boeken.
En Manuel Belmonte met Mirjam en de jonge Ignaz? Zij trekken uit de stad naar hun grote buiten in het Gelderse. Naar een frisse omgeving totdat straks, na de epidemie, het huis op de Wijnhaven zal worden uitgeröokt en opnieuw geverfd, opnieuw van boven tot onder gestoffeerd en ingericht.
En de doden?
God sloeg het huis van Elia van Zuiden en zij stierven allen.
En Hij sloeg de huizen van Jacob Haagman, van Ikkie
285