Stil gingen zij naar boven. Naar de vrolijke Jettie, die wachtte met verse koffie en koek. En de lederen canapé voor de oudjes.
1848. Herfst.
Cholera. Cholera in Rotterdam. Cholera in de Buurt, op het Rode Zand, op de Dijk, in alle wijken.
Zoals een kind door de velden dwaalt en achteloos, soms peinzend, met bonte willekeur bloemen plukt, zo gaat de Engel des Doods door de stad. Gooit kwistig zijn oogst op een stapel die hoger en hoger wordt en de mensen vervult met een onmachtige radeloze angst.
Dag en nacht vechten de dokters, dag en nacht vechten alle mensen voor hun dierbaren en ... voor vreemden.
De jonge dokter Waterman neemt nauwelijks enige uren rust, nacht na nacht. Hij houdt zich staande met sterke koffie en soms bereidt hij een poedertje in zijn huisapotheek, want hij heeft de geheime Venetiaanse vergiftenleer grondig bestudeerd. Hij heeft zich al dagenlang niet meer uitgekleed en ligt zo op de canapé, gereed om te gaan voor elk nieuw geval. Hij is nog jong en sterk en lacht soms grimmig, zodat zijn sterke, witte tanden zichtbaar zijn.
En die andere joodse dokter met zijn gemengde praktijk, deze bijzonder begaafde geneesheer Benaja Stibbe zwoegt en werkt samen met zijn collega. Ook hij neemt soms een poedertje aan van dokter Waterman als de vermoeienis te groot is geworden.
En Mordechai Speyer, de jonge rabbijn, doet van alles. Hij verpleegt en troost de zieken, zegt bemoedigende woorden of leest hen voor uit het Boek. Hij helpt bij het wassen der doden en leidt hun laatste gang. Niets is hem te veel, niets verwaarloost hij, óók zichzelf niet, want hij is nog altijd tot het uiterste verzorgd, haast lachwekkend in deze chaotische toestand.
En ook Jettie van Bienen is dag en nacht bezig. Bereddert
284