is goed verzorgd in Engeland. Je hebt niemand meer dan jezelf. Doe je zelf een groot plezier en vervul je hartewens en leef eens als de mensen uit je boeken. Hoeveel bezit je, dan kan ik je raden.”
Zij staat op en kijkt schichtig rond, wenkt hem en fluistert het bedrag in zijn oor.
„Moet je dat fluisteren? In een winkel waar we samen zijn? Wat een bedrag. Alleen... Sheintje... je hebt het bij elkaar gewoekerd en daarom zal je boeten.”
„Brammie ...” zegt zij angstig, „Brammie, dat is niet goed van je, nou je ’t weet. La me nou de menoege, als ik dood ben magge ze alles verdele onder de arreme. Alles.”
„Echt, Sheintje?”
„Emmes, Brammie.”
„Dan zal ik je helpen met je huis en de inboedel en het beheer over je vermogen. Want je haalt wel de honderd jaar.” Hij glimlacht en biedt haar zijn arm aan, vervolgt: „Weet je nog, Sheintje, de Franse tijd? Toen je een zwierige jonge meid was. En knap was je ook.”
„En jij... Brammie, je was altijd zo stoer, zoas je nou nog ben. Een maccabeeër.” In gedachten staat zij stil voor een Zwitserse speeldoos en peutert wat aan een hefboompje. Het melodietje, een menuet, tingelt door de ruime winkel. En dan is Abraham Lezer opeens wat speels en maakt een buiging voor Sheintje, die antwoordt met een révérence. Dan dansen zij het menuet op het brede gangpad van de winkel, op het glanzende parket tussen de honderden kostbaarheden. Eerst met een brede glimlach, langzamerhand ernstig. Want Abraham Lezer is nu weer jong in zijn gedachten en leeft in het verleden. En ook Sheintje is weer jong, is weer het knappe meisje dat zij eens was. Met een gracieus en soepel lichaam, dat mannen kon verleiden.
En als het speeldoosje is afgelopen kijken zij elkander onthutst aan. Want zij hebben zich weer jong gezien in elkanders ogen en gruwen één moment... van hun ouderdom.
283