,,U wilt een arm hebben, die langer is dan de wet, mijnheer Lezer. Mijn straf heb ik gehad, u noch de maatschappij hebt verder iets te vorderen. Waarom zoekt u mij?”
„Jarenlang heb ik de neiging gehad u te vertrappen, zodra ik u zou zien. Zo’n haat koester ik tegen de aanrander van dat prachtige mens Manuel Belmonte.”
„Welnu ... wat weerhoudt u, mijnheer?”
„U bent niet alleen een gedrocht en een bandiet, maar óók nog een verschwarzter nar. Wie zegt er nu: wat weerhoudt u om me te vertrappen?”
„U zoekt de wraak, mijnheer Lezer, en ik bied u die aan. Vreemd dat u nu geen wraak kunt nemen. Inderdaad, men kan dat alleen in drift, of nadat men zijn gedachten langzaam op kookpunt heeft gebracht. Ik ben bij u gekomen omdat deze zaak een einde moet hebben. Ik ben een nieuw leven begonnen als dokter, hier in Rotterdam. In Amsterdam is mij dat niet gelukt door het gekuip van de onderwereld, die beweert nog een rekening met mij te hebben. Ik heb getracht met de heer Belmonte te gaan praten, tot heden is mijn schroom nog zo groot dat ik aan zijn gebiedende uitnodiging geen gevolg kon geven. En dan ... hij is het slachtoffer en ik ben zeer begaan met zijn lot nu ik hem heb gezien. Naar ik heb vernomen wilt u een en ander grondiger liquideren dan de heer Belmonte. Ik wil niet verder leven in angst en onzekerheid. Het is voor mij gaan of blijven, een andere keuze is er niet. . . en toch, ik heb geen moed om mijzelf om te brengen. Welnu, mijnheer Lezer, ga uw gang.”
Met stijgende verbazing heeft Abraham hem aangehoord. Dan wordt hij opeens zo driftig, dat hij een zeventiende-eeuwse stoel enige keren met zware dreunen op de vloer bonkt en roept: „Gek ... dwaze nar ... ongeluk van een mens... wat dacht je nou, wat dacht je nou!!”
„Dat heb ik u gezegd,” antwoordt Benaja ijzig kalm, „u kunt uw gang gaan volgens onze zachtzinnige boeken. Ziel om ziel, oog om oog, tand om tand.”
278