floep, je strikt hem ineens en sleurt hem door de stad naar de kadi. Voor nog zo een portie gevangenisstraf.”
„Mani, word jij dan nooit eens ernstig? Altijd maar spotten ... altijd.”
„Ik dacht dat jij dat vroeger ook zo graag deed, Brammie? En waarom zou ik ernstig zijn? Als men aan de ernst begint, eet de ernst je op. Dan wordt je gebraden haantje bitter en je glas Bourgogne zuur van ernst. Verbeeld je dat ik mijn leven in deze rolwagen, in dit kermisinstrument, had geleefd met dodelijke ernst en diepe rimpels op m’n voorhoofd. Man, ik was weggeteerd van narigheid. Rol me naar binnen. Brammie, ik ga ze vandaag op de beurs de stuipen op het lijf jagen met vrolijke ernst.”
Abraham gromt wat en rijdt zijn zwager naar binnen. En als hij dan terugwandelt over de Blaak kan hij niet nalaten voortdurend te spieden naar Benaja.
En als hij thuiskomt zit dokter Benaja Stibbe in zijn winkel en wacht hem op ...
Benaja is gaan zitten op een dunpotig verguld Louis XV stoeltje en Abraham heeft het gevoel, dat dit misvormde mannetje en dat stoeltje een harmonisch geheel vormen. Benaja is goed verzorgd. Zijn overjas is van fijn laken, zijn vadermoorder is helderwit en de wikkeldas van het nieuwste mode-dessin. Zijn hoge hoed houdt hij op zijn schoot en als hij opstaat om te groeten zwaait hij er hoffelijk mee, alsof hij hem zojuist afnam.
„Wat doet u hier?” vraagt Lezer bars.
„U zocht mij, mijnheer Lezer. Men heeft mij verteld dat u mij reeds jaren zoekt. Hier ben ik.”
„Hoe weet u dat ik u zocht?”
„Vandaag nog. U reed niet voor niets tweemaal over de Blaak. Ik voel niet veel meer voor scènes in het openbaar. Daarom ben ik hier.”
„U bent niet alleen een boef, maar u bent brutaal bovendien. Ik zou bedeesd hebben gezwegen in uw positie.”
277