Rietborn zijn dood. Zijn zaak is van het huis Belmonte en Arie, de zoon, woont reeds jaren in het buitenland. Waar? Dat weet niemand.
„Ik schrok ervan, Jan. Opeens kwam alles weer in m’n gedachten. Dat van toen en mijnheer Belmonte.”
„Ik zal die klap nooit vergete, Brammie, en hoe die me vloerde voor het smoel van al de meide. Ik wor d’r nou nog warm en driftig van. Maar affijn, hij is erger gevloerd dan ik .. . en dat heb ik ’m niet gewenst.. . nee, om de verdommenis niet... dat niet. Want ik weet nou wat je bramstaglopers waard benne.”
Hij staat op, steunt op de kloosterstoel om zijn stok goed in de hand te kunnen nemen. Als hij het kantoortje uitschuifelt, tikt hij aan zijn pet. En staart met z’n verre, treurige ogen in zijn afgebakend lot.
„Wanneer zie ik je weer, Jan Moker,” vraagt Abraham mild.
„Weet ik niet... je bin toch ’n fijne jood . . . een fijne jood ... om me toch Jan Moker te noeme... toch nog.”
Abraham Lezer staart hem na; de laatste woorden van Jan Hey betekenen meer voor hem dan de toespraak van de burgemeester, nu drie jaar geleden in de raadzaal, om hem te danken voor een gift aan het Gemeente Ziekenhuis.
Tien dagen later haalden de dienders het lijk van Jan Hey op uit de Leuvehaven. En mijnheer de commissaris wiste verstolen met zijn zakdoek over de ogen.
Op een dag wordt Manuel Belmonte langs de Blaak naar de beurs gereden. Opeens ziet hij een mismaakt mens voor zich en het duurt wel een halve minuut, alvorens zijn hersens de indruk hebben verwerkt. Maar daarna weet hij dat deze bochel met het brilletje, dit grijze, dikke mannetje Benaja Stibbe moet zijn. Want deze ogen, deze donkere, felle, soms angstig ont zette ogen hebben niet kunnen liegen. Manuel Belmonte wenkt impulsief, gebiedend, volgens zijn gewoonte. Maar Benaja
275