die verkeerd is gebleken. Zij staart in de kamer met de beginnende weelde, die zij in haar winkel verdient. En neemt op dit moment afscheid van haar meisjesdroom, die verhaalde van geborgen zijn en ontzag voor een forse vechtlustige man. En berust erin een dromer te hebben, geheel afhankelijk van haar wil en energie. En besluit te vechten ... als een man.
Jan Hey, de onttroonde koning van de Zandstraat, bedelt. Hij leunt op een stok en schuifelt langzaam voort op stijve, pijnlijke benen, staat dikwijls stil en moet dan diep en moeilijk ademen. Nog is zijn forse lichaam imposant, zelfs is hij indrukwekkend als hij in de verte staart met zijn verre, treurige ogen. Hij bedelt niet in de Zandstraat of de Buurt of daar waar hij heeft geheerst. Hij zwerft door de nieuwe wijken buiten de singels en langs de vreemde schepen. Als hij ’s avonds terug is in de Zandstraat, probeert hij te lopen zoals vroeger. Maar men let niet op hem, de meiden in de huizen zijn jonge vrouwen die hij niet kent en die uit zijn tijd zijn slonzige dikkerds geworden met een troep kinderen, en zijn hem vergeten. Voor de jonge branies van het Rode Zand bestaat hij niet, zij kunnen zich niet voorstellen, dat deze man eens was zoals zij. Soms ondersteunen zij hem als hij te moe is om zijn huisje te kunnen bereiken en dan zijn er tranen in zijn ogen om zijn verloren heerschappij.
Op een dag strompelt hij binnen bij Abraham Lezer. Het is geen vrijdag, want nooit heeft hij één cent willen halen op Brammies wekelijkse aalmoezendag. Er is een stille twijfel, die aan hem knaagt, omdat er iedere week wat zilvergeld op het aanrecht van zijn keukentje ligt. Geld dat op geheimzinnige manier zijn openstaande huisje binnenkomt.
De bedienden kijken hem misprijzend aan, maar daar is reeds Abraham Lezer om hem te ontvangen en hem mee te nemen naar het kantoortje, dat sinds de verbouwing achter in de winkel is. Daar staat nu ook de oude kloosterstoel, die nimmer zal worden verkocht.
272