pingelende boeren, goede lieden doch scherp in handel.
Op een dag is hij de kant van Gouda opgegaan en hij peinst over de geschiedenis van Naaman de krijgsoverste, en de man Gods Elisa. Hij lacht om Naaman, die een toverformule had willen horen en slechts de raad kreeg zich eens grondig te wassen in de Jordaan. Hij maakt zich kwaad op de begerige Gehazi, die het loon dat Elisa had geweigerd ging opeisen en melaats werd, besmet door de wisselkleren die Naaman hem schonk. Vanavond zal hij hierover praten met de rabbijn en de andere heren van de kring. Al die besmettelijke ziekten zijn nu bijna ondenkbaar voor de joden, omdat zij zich zo streng houden aan rein voedsel en een rein lichaam. David glimlacht dankbaar, Gode zij dank leeft zijn gezin in een verlichte tijd en de verschrikkelijke ziekte van Naaman kan men zich nauwelijks meer voorstellen.
David gaat vroeg naar huis, genietend van de voorvreugde van de heerlijke studieavond, waarop hij eerst werkelijk lééft. Onderweg fantaseert hij dat Lea een heel rijke erfdochter is en zijn schoonvader een vroom geleerde in plaats van een begerige kippenboer, een man die beslist zou hebben verlangd, dat zijn schoonzoon samen met hem zou studeren, onbekommerd levend van de rente van een groot vermogen. Zoals soms in Polen.
Als hij thuis is gekomen met een kleine verdienste en veel onverkochte koopwaar, is het Lea die somber en gaandeweg onheilspellend kijkt. Zij zegt niets totdat hij de honden heeft verzorgd; geborsteld en gevoed met rijst en vlees en schoon stro in de hokken op de binnenplaats heeft gelegd. Maar als hij dan te behaaglijk naar Lea’s zin in zijn grote stoel gaat zitten, zijn baard strijkt en wacht op de koffie, barst het bij haar los.
..Devie, wat heb je ontvangen?”
„’t Was slecht vandaag, Lea,” en hij schudt zijn katoenen geldzakje leeg op het witte tafelkleed.
„Hoeveel, Devie?”
270