voor hem stond. Die overwinningsroes... Ik vergeet dat nooit.”
Zinnend blijft Belmonte in de vlammen staren, dan zegt hij: „En toch, Mirri, geloof ik niet dat hij het heeft gedaan. Dat valies is geen bewijs, op iedere manier kan hij dat te pakken hebben gekregen.”
Zij houdt haar hoofdje op zijn schouder, zo nu en dan zoent zij hem heel zacht op de wang, zalig verrukt door deze intimiteit, die zo zeldzaam is. Hij vertelt: „Mirrilief, wat had hij om je te bekoren en te imponeren? Niets dan een beetje verbitterde levenswijsheid van een mismaakte. En hij moest geweldig in jouw ogen zijn, zich verheffen boven zijn minderwaardigheid. En dat kon hij niet, geestelijk noch lichamelijk . . . daarom stal hij een misdaad. Met een gevonden lijk rijdt deze ridder voor de tribune van zijn edelvrouwe. Daarom wil ik hem spreken. Ik wil zien of mijn theorie juist is, ik wil hem ontleden. Een pikante gedachte, vrouw, een zeer pikante gedachte.”
„Manuel, doe het niet... ter wille van mij.”
„Goed . .. goed, ik zou mij zeer hebben geamuseerd. Zeer.”
Stil blijft zij liggen en geniet van haar huwelijk met deze man. En hij, de verwende rijkaard, is innig dankbaar voor het bezit van deze mooie vrouw, die na zestien jaar nog evenveel houdt van haar man. Daarom voelt hij zich sterk en gezond.
David Houtkruier jaagt zijn hondewagen door de polders om Rotterdam. En verkoopt zijn kleingoed aan de boerinnen. Maar David is geen koopman, zijn hart gaat uit naar de Heilige Boeken. Hij prevelt teksten en houdt uiteenzettingen met zichzelf, debatteert in gedachten met commentators die sinds eeuwen zijn gestorven. Hij prepareert zijn referaten en de antwoorden, die hij zal geven op de 'lern’avonden bij de rabbomem, daarom gaat hij zo snel weg bij zijn klanten en dringt zelden aan. Hij is tevreden met een klein daggeld, verdedigt zijn prijzen met en is als was in de handen van de
269