knappe rabboniem hebben de tijd om volgens het recept van Adam naar de dochters van Zion te kijken en ermee te stoeien. Nietwaar, Mordechai? Want daarvoor hebben ze nu dikwijls geen tijd. Zéggen ze. En het is voor een jonge vrouw ook met zo leuk om een zoen te moeten delen met de Thora en de Talmoed. Een zoentje op het voorhoofd .. . een zoentje op het perkament.”
„Jettie, hou op.” Abraham schaterlacht. Mordechai kijkt verbaasd naar haar, humor is niet zijn sterkste zijde.
„Oom Bram, Mordechai moest hier komen wonen. Bij juffrouw Boasson wordt hij nog een mummie. Ik geloof dat zij de traploper zoent als hij uitgaat, zo vereerd is ze, dat de rebbe bij haar woont. Oom Bram, we maken een vrolijke rebbe van hem, een primeur voor Europa.”
„Jettie ... wat heb je voor met Mordechai?” vraagt Abraham nu wat ernstiger.
„Niets heb ik voor, niets. Alléén ... ik zou hem willen redden van de verschrikking om een patriarch te moeten zijn op dertigjarige leeftijd. Ik zou willen dat hij jong en gezond de tijd verleefde, die hem als jonge jaren is toegewezen. Dat gun ik ieder jong mens, ieder.”
Met één stap staat zij voor de verschrikte Mordechai. Met beide handen pakt zij zijn hoofd en kriewelt wat in zijn bakkebaarden. Haar ogen twinkelen, haar mond is half geopend door begeerte. Het Rotterdamse volksmeisje breekt bij haar uit, ais zij zegt: „Fijne knappe baardaap!”
Nog eens kriewelt zij in zijn baard, schokt wellustig met de schouders, lacht van pret. Dan pakt zij haar crinoline samen en loopt naar de deur. Daar keert zij zich om, maakt een volle révérence en zegt in het Duits: „Nacht die Herrschaften,” en is met ruisende rokken uit de kamer verdwenen.
Abraham knikt stil naar Mordechai, die de ogen heeft neergeslagen. „Nah, rebbe, zeg jij me nou eens wat ik daaraan moet doen.”
„Niets, oom Bram ... ik wilde dat ik géén rabbijn was.”
266