In ruil geeft hij onbekommerd brood «n dak en kleding. En is haar trouw.
Dan is het vrijdag in de maand februari van 1846. Jettie is op reis, naar Wiesbaden zegt men met ontzag, reizen is een ontzagwekkend iets voor de Buurt. Abraham zendt een boodschap naar het huis van Manuel, die na de dood van Jolanthe, vorig jaar, de grote woning aan de Wijnhaven heeft betrokken. Hij bericht dat hij ’s avonds wil komen dineren. Zijn bediende brengt het korte antwoord van Mirjam mee terug en uit haar stijlvolle schrift leest hij de vreugde om zijn eigen uitnodiging. Daarom is hij die middag bijzonder mild voor de armen en velen kijken verbaasd omdat hij soms een gulden meer geeft dan er op de lijst is aangetekend; Abrahams liefdadigheid verloopt volgens plan en nauwkeurig vastgestelde uitkeringen. Hij zit weer achter de middeleeuwse tafel en kijkt gemoedelijk streng, met korte woorden vraagt hij naar het wel en wee, soms beduidt hij met vaag gebaar dat iemand mag gaan zitten in de dagobert tegenover hem. Maar dat is slechts voor de heel ouden en invaliden. Precies om vier uur kijkt hij op de Friese staartklok, die zilvertonig het uur heeft gemeld. Hij trekt het kostbare horloge aan de goud-email chatelaine, het huwelijkscadeau van Josina, uit de zak om de Fries te controleren. Dat doet hij graag, dikwijls onnodig, de klokken controleren met behulp van dit horloge; zó kan hij veel aan Josina denken en aan de gelukkige dagen van weleer. Hij geeft een teken aan de bedienden, zij laten allen binnen, die nog wachten; en sluiten dan. Na vier uur is de armenzorg geëindigd, wie te laat is wordt niet meer geholpen; er is niemand te laat, men kent de regels sinds Josina’s dood. Josina, die dag en nacht te spreken was, die dag en nacht hielp en geen uren kende.
Als de mensen zijn vertrokken laat Abraham de lijsten optellen en knikt goedkeurend als hem het bedrag wordt genoemd. Dan gaat hij naar boven om zich te verkleden, maar eerst serveert het kamermeisje hem een glas witte port, want
260