De Buurt verandert. De rijke joodse families verlaten Ket ontmantelde getto en verhuizen naar nieuwe wijken, wonen te midden van de christenen; verliezen de band met hun ras, worden liberaal en vergeten de wet en de gebruiken. In hun plaats komen de kleine zwoegende koopmannetjes, de armetierige baasjes, de straatventers en standwerkers. Zij zwermen uit over het land met hun koopwaar en ook zij voelen de wet steeds minder, en overtreden, eerst aarzelend dan steeds overmoediger. Want God rukte hen niet voelbaar uit.
En Abraham Lezer?
Hij is nu vierenzestig jaar. Nog is hij ongebogen en fors. Zijn haren zijn sneeuwwit, zijn ogen nog klaar en kijken streng vanonder de zware borstelige wenkbrauwen, de rimpels aan de slapen zijn talrijk en aan de neuswortels diep en vreemd, zoals bij vele oude mannen.
Zijn winkel is vergroot, want hij heeft het aangrenzende huis bijgekocht en door middel van een boogvormige doorgang verbonden met het oude pand. Hij heeft nu ook enige bedienden, zoons van collega’s uit Amsterdam, of elders uit Europa, want zijn firma heeft relaties tot ver over de grenzen en Abraham staat bekend als een vakman en een strenge, kundige leermeester. In de loop der jaren is de firma Lezer een der belangrijkste huizen in antiek geworden.
Naast de materiële glorie is er ook wat anders. Iedere vrijdagmiddag, enige uien voor de sabbat, worden er geen zaken meer gedaan. Dan staat er een drom mensen voor zijn deur. Het zijn de shnorrers en de arme vrouwen, de gebrekkigen en hulpelozen, allen die komen om een aalmoes, een vast week-geldje of een kredietbriefje voor de dokter. Abraham Lezer zit dan achter een zware middeleeeuwse tafel en voor hem liggen papier en pen en zakjes met zilvergeld. Zijn bedienden laten de mensen binnen, kleine groepjes tegelijk en helpen hen weer naar buiten, want er zijn veel invaliden. Soms komt mijnheer de commissaris kijken, die zijn functie heeft neergelegd nu hij vijfenzeventig jaar is. Dan komt hij eens omzien
256