1845. Vijf jaar zijn verstreken sinds de dood van Josina Lezer. Maar niet alleen Josina en Jonas van Gogh zijn genomen uit de kudde, die onmeetbaar is, zonder begin en zonder einde. Ook de oude dokter Prins moest verschijnen voor de troon van het Opperwezen, en met hem Elia van Zuiden en Lebber Vijg, en Gijs van der Zwan, en de koopman Rietborn, en honderden en duizenden. Zij gingen met de herinneringen aan vreugde en leed, met onopgeloste problemen en gedachten, die opgesloten waren in een handvol hersens. Opeens zonder enige betekenis. Onopgemerkt is daar de opstuwende nieuwe generatie, als knoppen die in enkele dagen tot volle bloemen zijn geworden en het veld beheersen met kleur en geur.
Wie? De jonge dokter Waterman, de jonge Van Zuiden, de jonge Haagman, de stoere zoon van Gijs van der Zwan, Arie Rietborn, en honderden en duizenden. Zij hebben reeds herinneringen aan vreugde en leed, zij hebben reeds problemen en geheime gedachten. Voor hen van veel betekenis. Hun stad, daarin bruist en kolkt het van ontplooiend leven, een drift tot bloei, de vorming van een wereldhaven.
De Zandstraat leeft feller dan ooit, maar zij wordt harder, gemener, bloediger.
De Dijk, het vrolijke zeemanskwartier lacht en drinkt en vecht somtijds. En verkoopt vrouwenvlees aan de zeelieden, die hunkeren naar wat anders dan wind en golven, zeekaak en stinkend water.
255