grijs. Diepe groeven zijn aan de neuswortel; de wenkbrauwen, zwaar en wit, hangen wat voor de ogen. Jonas van Gogh ziet zijn evenbeeld.
Abraham Lezer zegt: „Je bent vier weken te laat, Jonas. Je zult het wel gehoord hebben. Mijn vrouw is dood.”
„Gezegend zij haar naam, gezegend zij haar gedachtenis. Dat zij ruste in vrede tot in eeuwigheid, Amen. En dat zij dood was wist ik de tweede dag.”
Abraham Lezer kijkt hem vragend aan, dan wat wantrouwend. Jonas vervolgt: „De fluistering en de huivering van ontzetting over dit verlies vloog in één dag van medinoh tot medinoh. Tot in het Groningerland waar ik was. Ik zal haar meer missen dan wie ook.”
„Jij?. . . die zo nu en dan eens hier kwam?”
„Wordt genegenheid uitgedrukt in tijd, Abraham Lezer? In het aantal keren, dat men iemand ziet? Luister naar hetgeen geschreven staat: 'En toen de huisvrouw van de stadvorst hoorde van al het leed binnen de landpalen, ziet, zij was zeer ontroerd. En zij schreide. En zij zeide tot de koopman: open uw handen en sluit uw ogen toe. En hij opende zijn handen en sloot zijn ogen toe. En hij voelde de gouden en zilveren munten in zijn handen, en sloot ze toe. Toen zeide zij tot hem: ga uit, zoek de lieden die leed dragen en leg de munten stille-kens in hunne tenten, zodat zij zullen verbaasd zijn en vragen: Vanwaar deze sikkelen? En slechts de Here zullen zij danken’.” „Jonas. .. heb jij haar liefdadigheid uitgedragen in de medinoh?”
Jonas de bijbel venter zwijgt met gesloten ogen. Abraham kijkt vorsend naar hem, zoals hij daar zit in de hoge klooster-stoel. Als een harige dode, een mummie.
„Ben je niet goed, Jonas?”
Jonas houdt de ogen gesloten, glimlacht flauwtjes. „Ik ben niet ziek, slechts het leven vloeit langzaam uit mijn lichaam. Slechts het leven! Maar ik ben niet hier gekomen, opdat je zou kunnen informeren naar mijn toestand, Abraham Lezer.
251