„Sien ... o . . . God . . . Sienü”
„Stil, mijn jongen, ik ben gelukkig geweest met jou. Je was een goede man en je hebt van me gehouden.”
Zij staart in de verte, hunkerend tasten zijn ogen haar gezichtje af. „Sien . . . mijn vrouw . . . mijn alles ... ik heb je wat te zeggen . .. Sien . . .”
„Nee, Brammielief ... je hebt me niets te zeggen. Ik wil het geheim van je leven niet kennen. Ik ben tevreden met de jaren, die ik heb mogen genieten. Laat mij mijn gedachten, die ik je toen in Parijs heb verklaard. Ik was er gelukkig mee.”
Diep boog hij het hoofd en beet schouderschokkend in zijn polsen, opdat hij het niet zou uitgillen. Zij streek hem zacht over het gebogen hoofd. Minutenlang. Met gesloten ogen.
Die nacht dromden de Buurt en het Rode Zand en volk van de Dijk en volk van alle wijken voor het huis van Abraham Lezer. Zij stonden er doodstil en hoorden de gierende opstand van Abraham Lezer. En zagen de vrouwen van de taharoh.
Die nacht scheen eindeloos voor de secretaris van Manuel Belmonte, die bij het eerste daglicht de postduif losliet naar Londen.
Toen zij werd uitgedragen stond al het volk er weer. Uit alle wijken van Rotterdam.
En toen de doodbidders de kist in de wagen wilden schuiven, traden vier mannen naar voren, pakten de kist en tilden haar op de schouders. Vier mannen, de jonge Van Zuiden, de jonge Elaagman, de oude Jan Eley en de oude Gijs van der Zwan. En Jan Hev zegde: „Ze zal gedrage worde ... van hiero tot daaro.”
En om de vierhonderd meter stonden mannen en namen de kist en droegen Josina Lezer tot haar graf. Langs de Hoog-straat tussen twee hagen mensen, door de Oostpoort naar de Oostzeedijk.
En Abraham Lezer, de kohan die zijn vrouw niet volgen mocht, stond op het kruispunt van Hoogstraat en Westewagen-straat en oogde haar na.
249