Gogh zich als ziekenbezoeker. Aarzelend laat Jettie hem boven komen en vraagt aan Josina wat er gedaan moet worden.
„Laat Jonas binnen, Jettie, en als hij het vraagt laat ons dan alleen. Hij wil niet graag over zijn armen spreken als wij niet onder vier ogen zijn.”
Als hij dan binnen is, gaat hij bij het ziekbed zitten en staart Josina aan.
Jettie vraagt of hij koffie wil, hij wuift van neen, stil en wat moedeloos. „Ga nu, mijn dochter, want ik heb te praten met mevrouw Josina.”
En als Jettie de kamer heeft verlaten, zegt hij niets en blijft haar aanstaren.
„Wat is er, Jonas?”
„Ik heb het reeds lang geleden gehoord. Ik wilde direct komen, maar er was nog geen gelegenheid om Abraham weg te lokken. Ik kom niet graag bij u, als hij thuis is.”
„Dat zijn harde woorden, Jonas, die Brammie niet verdiend heeft. Al het geld, dat ik geef komt van hem. Zelf heb ik geen inkomen.”
„Ik weet het. Abraham Lezer is een weldadig mens. Maar hij is het zonder erbarmen, zonder medelijden, slechts uit plicht.”
„Heb je hem voor niets naar Amsterdam laten roepen? En door wie?”
„Niet voor niets. Zij zullen gezamenlijk de ziel van een paar Spaanse grandes goedkoop kunnen kopen. Een van mijn klanten heeft hem laten roepen. Na een verschrikkelijke tekst, die zijn broodwinning akelig scheen te bedreigen. Genoeg ervan, mevrouw . . . hoe gaat het u?”
Nu kijkt Josina hem lang en spottend aan, zodat hij nerveus schuifelt in zijn stoel.
„Jonas. . . toen je ging zitten, staarde je me aan en wuifde moedeloos. Ik wist het en je gebaar was de bevestiging. Want de oude ogen van Jonas van Gogh hebben te dikwijls de dood op de stoep zien staan.”
245