„Josina Lezer, zo mag je niet spreken. Alleen Haqodaush boroech hoe kent de seconde. Wij mensen gissen slechts en slecht.”
„Het is lief van je om zo te praten, Jonas. Maar God heeft zijn dagvaarding uitgereikt aan Josina van Cieeff.”
Zij ziet hem het hoofd buigen, nimmer tevoren zag zij dit. Zij ziet hem de handen voor de ogen slaan, nimmer tevoren zag zij dit. Zij ziet hem stuntelig met de rode neusdoek over de ogen strijken, nimmer tevoren zag zij dit.
„Jonas . . . heb je nog iets te zeggen?”
„Ja . . . mijn dochter . . . ja. Niet van de armen en de gebrek-kigen. Nu niet. Van een die nog nooit over zichzelf sprak . . . nu . . . van Jonas van Gogh.”
„Ik luister aandachtig, Jonas. Als het werkelijk zo is dat men voor Gods troon moet getuigen, ik z£l voor je getuigen. Vertel mij nu je geschiedenis, Jonas ... als een vers. . . dat klinkt minder ruw.”
„Luister dan, mijn dochter, luister . .. naar een hoofdstuk uit het boek Jonas van Gogh . . .
‘En toen de knecht Gods vernomen had, dat zijn dag gekomen was, ziet, hij werd angstig en vlood voor het aangezicht des Heren. En hij verborg zich.
Toen nu zond God een engel uit de hemel, een oude engel zond Hij, kennende Zijn schepping en al wat daarin is: de mens en het redeloze dier, het geboomte en de vruchten des velds, de open gedachten en de duistere lusten.
En de engel kwam tot de knecht Gods en keerde zijn aangezicht.
En toen de engel des Heren zijn aangezicht gekeerd had en hem zag, zo zeide hij: waarom verbergt gij u? Is er een leugen op uw voorhoofd dat gij uw aangezicht verbergt?
En de knecht des Heren zeide tot hem: waarom vraagt gij mij? Gij die alles weet? Zo er een leugen op mijn voorhoofd is, ontdek ze mij, want ik ken haar niet. En de engel des Heren zeide tot hem: waarom hebt gij gezwegen? Waarom zwijgt
246