mannetje ben jij. En dat komt om raad. Abraham Lezer durft wel heel veel.”
Woest grijpt Abraham zijn hoed en jas en stok, driftig kleedt hij zich, daarom moet hij hoed en stok weer ergens neerleggen met stuntelig zoekende gebaren. Hij loopt naar de deur om zonder groet te vertrekken en hoort dan de sonore stem van de treiterende Manuel.
„Blijf hier .. . domme beer. Blijf hier in Rotterdam, ik zal voor jou naar de Londense veiling gaan.”
Sprakeloos keert Abraham zich om, zijn drift is gezakt, er is weer het warme gevoel voor Manuel Belmonte. Maar hij is ook zeer bezorgd, nu hij vraagt: „Mani. . . denk je dat het zó ernstig is?”
„Ja .. . God verhoede dat er iets gebeurt. Mocht het zo zijn, ga dan naar mijn secretaris. Hij zal een postduif loslaten voor onze factorij in Londen. En ik zal onmiddellijk terugkomen.”
Met gesloten ogen leunde Abraham Lezer tegen de deur, zijn kaken klemden zich opeen, zodat zijn baardharen trilden. Manuel puntte langzaam zijn kneveltje, zijn ogen stonden treurig. Toen rinkelde hij de zilveren tafelbel om de sfeer te verjagen. De huisknecht bracht de kristallen luchters met talrijke brandende kaarsen.
Het werd februari 1840. Nog steeds is Josina ziek, de longontsteking wil niet snel genezen. De jonge dokter Waterman, de opvolger van dokter Prins, heeft toch wel goede hoop, dat zij in het voorjaar zal kunnen opstaan. Abraham en de Buurt kampen zich aan dit optimisme vast, hoewel men twijfelt aan de jonge ervaring van dokter Waterman. Daarom waagt Abraham een kleine reis naar Amsterdam, enige Spaanse antiquairs hebben daar een grote collectie te koop aangeboden. En Amsterdam kan zo een post niet alléén kopen, het vermogen en de ervaring van de grote Rotterdamse handelaar zijn hun zeer welkom.
Een dag na zijn vertrek, in de namiddag, meldt Jonas van
244