Jettie woont nu in het huis van Abraham Lezer; en verpleegt Josina, die ernstig ziek is geworden, de dag nadat zij uit Amser-dam waren teruggekeerd. De vlucht uit het huis van Gerstano-witz, die middag, in de natte sneeuwbui, was fataal voor Josina geweest. Jettie verzorgt haar als een dochter, niets en niets is haar te veel. En haar gezicht is dat van een diaconesje.
Abraham is zeer bezorgd en somber; daarom weifelt hij ernstig om naar Londen te gaan voor een zeer belangrijke kunstveiling, die zijn commissionair hem heeft bericht. Josina heeft aangedrongen dat hij zal gaan. Zij zal heus wel beter worden en haar genezing kan hij niet versnellen door tienmaal daags met een bezorgd gezicht om de slaapkamerdeur te kijken. Dat maakt haar nerveus.
Voordat Abraham besluit, zoekt hij Manuel op in zijn kantoor. „Mani, ik moet naar Engeland en ik wil hier blijven.”
„Je zult dan het Opperwezen moeten vragen om je onbloedig te splijten in twee Brammies, met de mogelijkheid je later weer samen te smelten. Je wilt een trouwe echtgenoot zijn en tevens bezorgd geld verdienen. Wenend aan de sponde en stiekem door de vingers van je linkerhand kijken hoeveel gouden ponden in je rechter worden uitgeteld.”
„Mani, je bent een verschrikkelijk wezen. Ik zou je een pak rammel moeten geven voor die venijnige tong van jou,” zegt Abraham, nu werkelijk boos.
„Wees blij voor jou en voor mij, dat ik Manuel Beimonte in het wagentje ben. Verbeeld je eens dat je er werkelijk op los zou slaan. Wat zou je van jezelf schrikken, misschien moest je wel op je handen bijten om je te beheersen om mij niet te wurgen, in overwinnend oerinstinct. Dit wagentje, Brammie, is een onneembare vesting voor al de mensen, die mij haten om mijn geld, mijn vrouw, mijn macht en mijn dreiging, mijn savoir vivre en . . . mijn cynisme.”
„Dwaas, gek, faun . . . hou je mond,” Brammie buldert en stampvoet van drift.
„Netjes, heel netjes, een invalide uit te schelden. Een braaf
243