„Ja ... want alles wordt sleur in het leven, Jettie. De gevierde actrice walgt van het vechten tegen jongere rivalen, het optreden . . . iedere avond, zin of niet. Zij verlangt naar pantoffels en een breiwerkje, naar een kletspraatje bij een kop anijs. En de temeijes walgen van de bronstige dieren, die over hen kruipen, zij verlangen naar een nette man, die een eerlijk en goed huisvader is. Iedereen wil zijn sleur ontvluchten en verlangt die van een ander, omdat hij déze nog niet kent. Ijdelheid der ijdelheden, de woorden van de prediker zul je eerst begrijpen aan het einde van je leven.”
„Moet ik dan nu mijn leven aan het einde beginnen?” vraagt Jettie schuw.
„Fatsoen is geen einde, maar een grondslag. Jouw begin is het einde, Jettie. Een verbruikt en onteerd vrouwenlichaam is geen basis voor een huwelijk, is geen schoot voor kinderen, voor een nageslacht dat jou eren moet. Al was dat slechts om enige inhoud aan het leven te geven.”
,,U wilt me overtuigen van iets, waaraan u zelf niet gelooft,” zegt Jettie dof, „als ik me gewonnen geef is het uit angst voor het beeld dat u getekend hebt. De oude verlepte vrouw, die moet bedelen om te leven en betaalt met haar sterven J vlees. O God . . . o . . . God . . . oud zijn en vies... o God!!’ Gierend wiegt het lichaam, de handen omvatten het schuddend hoofd, de blanke tanden bijten in de onderlip.
Dan beweegt Jonas de bijbel venter. Hij grijpt Jetties omslagdoek van een stoel, en spreidt hem uit. Nu komt hij achter Jettie, zijn dorre lichaam strekt zich en hij omvat haar in de wollen doek. Deze vermoeide vrouwengestalte. En Jetties hoofdje, waarin de ogen verblind zijn door tranen, buigt achterover naar het baardige gezicht van Jonas, in volle overgave. Dit vreemde beeld ziet Josina, een grote onaardse vogel heelt zijn vleugels gesloten om een mens. En zij hoort hem zeggen: „Israël is gierig op zijn dochters, mijn kind.”
En de klare, harde, grijze ogen van Jonas werden mild. Toen sloot hij ze.
242