naar het rijtuig dat wacht voor de woning, omstuwd door de mensen van de Rapenburgerstraat. Men gaat niet vlug genoeg opzij om Josina te laten instappen, daarom heft hij dreigend zijn stok en roept: „Gaat heen, tuig van Laban. Gaat heen in uw tenten en bereidt u voor. Want de Here zal dit Sodom en Gomorra omkeren, geen tien rechtvaardigen zijn onder u.”
De opgeschoten jeugd lacht en joelt, maar de vrouwen wijken terug en zijn opeens niet meer vrolijk. Want Jonas de bijbel-venter ziet er zo onaards uit in het schemerige licht van de straatlantaars; met zijn benig gezicht en daarin de diepe donkere oogholten, de vooruitgestoken kin en de lange witte baard. Misschien toch. .. misschien toch is Jonas een knecht des Heren.
Dodelijk geschrokken ziet Jettie van Bienen hen naar boven komen. Haar stem is nauwelijks hoorbaar, als zij verzoekt te gaan zitten. Snel heeft Josina de omgeving opgenomen, dit nieuw ingerichte liefdesnest met zijn goedkope intimiteit.
Zij gaat bij het haardvuur zitten. Jonas blijft staan onder de kaarsenkroon; deze kamer heeft niet de Hollands-traditio-nele ronde tafel in het midden, de meubels en canapé staan langs de muren, op Duitse manier. Jettie leunt tegen de muur, haar kinderlijke gewoonte. Haar armen drukken stijf tegen haar lichaam, volgen de holte van de taille, de handpalmen zijn open. Zo is zij een beeld van weerloze overgave, met rode vlekken op de wangen van angst en opwinding, met neergeslagen ogen.
„Jettie, waarom heb je dit gedaan?” vraagt Josina.
„Ik weet het niet... mevrouw. Om alles, om de armoede, die ik heb geleden.”
„Ik had je toch een plaats bezorgd in een rijk huis? Dak en voeding en goed loon?”
„En later, mevrouw Lezer? Later, als ik oud zal zijn? Wil men een oude kamenier? En als ik trouw, wie krijg ik? Welke arme schlemiel moet ik verzorgen, bij hem slapen en kinderen krijgen? Met vier rijksdaalders in de week om rond te scharrelen.”
240