zal zij nog even door de kamer glippen om naar de bakker te gaan om verse gemberbolus, die zij serveren wil.
,,Jonas, ik heb je boodschap ontvangen. Waar is Jettie?” Hij nijpt zijn oogleden, uit zijn lippen. Zijn gezicht is hard als hij zegt: „Zij zit als hoer. Op een bovenhuis aan de Groenburgwal. Ik heb met haar gesproken, maar zij weet niet wat zij wil. Wij zullen er straks heengaan, nadat die sheroetzoh eindelijk de koffie zal hebben gebracht.”
„Jonas, waarom die bitterheid? Wie is deze vrouw, waarbij je hier woont?”
„Ik weet met wie ze is. Kan me met schelen. Toen ik nog geld had, ja, toen waren ze allemaal poeslief, hier in Amsterdam en in de medinoh. Alles heb ik zo zoetjes aan uitgedeeld, weggegeven, want ik leef al langer dan ik gerekend had. En nou moeten ze me voor niks de kost geven, allemaal, door het hele land. Ik hou ze in toom met teksten uit de bijbel, verschrikkelijke teksten heb ik voor ze en daarvoor zijn ze bang. Handelsgeld heb ik met meer, de bijbels krijg ik op krediet. I. tch niet, mevrouw Josina, Gods woorden op krediet! Maar eens komt de dag dat Gods woord moet worden betaald, dat het krediet moet worden afgelost. Dan zal de Engel des Heren komen met de dagvaarding en hij zal de termijn stellen . . . hij zal ze nemen in gijzeling ... op water en brood ... in de gru-lijk koude torens en hij zal . . .”
„Jonas, Jonas, wil je mij een bijbel verkopen, je raakt zo in vuur.”
„Josina Lezer, jij bent de bijbel . . . het edele goede gedeelte van de Schrift. Aan jou behoef ik er geen te verkopen.”
Hij sluit de ogen en strijkt zijn baard. Zij spreken niet meer totdat de koffie wordt gebracht. Langzaam drinkt hij, verkruimelt het gebak met zijn benige vingers en steekt de kleine stukjes voorzichtig in de mond. En Josina ziet dat Jonas oud is, heel oud. Plotseling rijst hij op en zegt: „Kom! Als de verspieders van Jozua, zo zullen wij gaan naar Rachab.”
Snel dankt Josina voor de koffie en volgt hem naar buiten,
239