een kowed voor die verschwarzter nar van een Jonas. Kom gauw binne uit dat vergaan van de wereld! Wat zeg u d’rvan van zu’k weer? Me hebbe nog niet genog sores, ken men zich de sappel make allenig voor hout en turf. Helemaal geen vlees meer op tafel door die sjtink kriere. Toe Jonas, wees ’n kavve-lier en help de dame an ’n sjtoel. De hele week heb tie gewacht gehad, dat u komme zou. De ganze woch hob ich koffie klaar gehad en nou dat u komp heb ik uitgerekend niks, geen sjpoog.”
„Selma,” zegt Jonas boos, „Selma, hou je ratel en lieg niet zoveel. Je hebt helemaal geen koffie klaar gehad, omdat je hebt gezegd: ‘Ja, die komt naar hier, oser, die kakmadam komt naar de Rapenburgeigass!’ ”
„Mevrouw, geloof ’m niet, dat oude bonk venijn. Venijn en mesjoggaas uit de Thore is alles wat d’r uit ’m komp. En as tie nou nog maar betaalde!!”
„Selma, moet de Engel des Heren afkomen uit de Hemel om je te halen voor je valse getuigenis? Mevrouw Lezer, gaat u hier zitten op mijn plaatsie bij het vuur. Ik zal nog zeggen vuur, omdat er nog iets glimt.”
„Jonas, Jonas,” zegt Josina, „het is hier warm en goed verzorgd.”
Mopperend gaat hij aan de andere zijde van de kachel zitten.
„Maak koffie, Selma. Je zult nooit kunnen goed maken, wat ik verplicht ben aan deze dame. Tracht ten minste haar wat warme vloeistof te geven, tracht!!”
„Hoor de profeet, hoor toe! Laat me niet lache! Mevrouw, heb u wel es een profeet in z’n onderbroek gezienr? Nah, ik wel. Jonas in z’n baaie goed as tie ’s nachts naar beneje scharrelt. Ken geen respect meer hebbe voor ’n profeet, die lastig is en smakt as tie eet. Smakt en slorpt, wóhü”
Dan weet zij niets meer om Jonas te kleineren en zelf groter te worden in de ogen van de voorname mevrouw Lezer. Daarom gaat ze naar haar keukentje om koffie te zetten en straks
238