laat zijn, zal ik je in toom houden met déze handen. En als dat niet helpt, dan zijn er nog andere middelen om je weg te bezemen als straatvuil.”
„Dit zal je betalen, Van Cleeff. Bij God ... dit zal je boeten!!”
„Denk eraan, Gerstanowitz ... nog één vinger naar de mijnen en je hele zwendelbestaan komt voor de justitie. Ik heb me nooit met je bemoeid, dat is het werk van de politie, die je om duistere reden nog steeds niet heeft gezien. Mocht je de onderwereld mobiliseren, goed, reken erop dat het huis Van Cleeff een knokploeg kan betalen. Een forse ploeg, jarenlang. Eén vinger, Gerstanowitz, en ik zal je vernietigen als ongedierte.”
Dan opent Jochanan met een ruk de deur en hij vindt de huishoudster en de dienstmeisjes gehurkt zitten op het portaal en verschrikt naar hem opkijken. Een van hen heeft een oog-getuigeverslag van de afstraffing van hun patroon zitten fluisteren, dat zij gezien heeft door het sleutelgat. Opeens is Jochanan weer de man van humor en vrolijkheid en lacht onbedaarlijk om deze vreemde situatie. Als hij nog even naar binnen kijkt ziet hij Gerstanowitz, die zijn gehavende gezicht pijnlijk tot een lach tracht te vertrekken. De meisjes drukten zich tegen de muur en bogen van schaamte het hoofd, toen Jochanan langs hen ging om het huis te verlaten.
Josina is niet direct naar huis gegaan, zoals haar broer had verzocht. Toen zij haar kleren weer terug had en zich kalm voelde, bestelde zij een rijtuig en reed van het Rokin naar de Rapenburgerstraat. En in een klein huisje vindt zij Jonas van Gogh.
Hij zit bij de Brabantse buiskachel en warmt zijn kousevoe-ten tegen de asla. Er branden een paar kaarsen op de hoge schoorsteenmantel, want de avond begint reeds te vallen. De joodse vrouw, bij wie Jonas logeert, komt snel uit haar keukentje en wrijft omstandig haar handen af aan haar vettige schort. Dan begroet zij Josina Lezer.
„Wat een kowed, wat een eer voor een arrem mens. Wat
237