weinig geld. Maar dat is geoorloofd, dit mensenoffer voor één kaste ... de rijkdom.”
„U weet heel goed wat ik nu met lichaam bedoel, mijnheer. Ik, oude vrouw, kan daarover met u rustig spreken.”
„Vindt u het de moeite waard zich druk te maken om de paar jaar, die Jettie nog scheiden van de meerderjarigheid?”
„Ja, want ook ni haar meerderjarigheid zou ik dit soort meisjes uit de bordelen willen ranselen en ze tot bezinning slaan!!”
Opeens wordt Josina driftig; zij slaat met haar kleine vuist vele keren op de leuning van de bergère.
„Waarom trouwt u niet met haar? Zij is knap en lief, een vrouw met wie men zich vertonen kan.”
„Zij is knap en lief, maar geen vrouw voor Michaël Ger-stanowitz. De ware vrouw voor mij is nu jaren getrouwd. En u kent haar, mevrouw.”
„Waarom hebt u Mirjam dan niet getrouwd, nadat zij uw vrouw was geweest?”
„Eerst toen Belmonte haar nam, besefte ik mijn verlies. Ik zal nu klare wijn voor u schenken, mevrouw Lezer. Ik laat Jettie van Bienen niet los, althans voorlopig niet. Mocht u voortgaan zich met mij of met haar te bemoeien, dan zal op een kwade dag de heer Belmonte bij zijn ochtendpost een briefje ontvangen, dat zijn idylle enigszins zal kneuzen. Ik hoop duidelijk te zijn geweest en dat u akkoord gaat met deze ruil.”
Josina is opgestaan. Zij is bleek, de handen houdt zij ineengestrengeld, ontzet kijkt zij hem aan.
„Mijn God, leeft dat in u? Is deze bedreiging voortdurend om Manuel Belmonte? Is zijn invaliditeit niet genoeg?”
„Ik haat deze man, alléén om het feit dat hij Mirjam voor mij weggriste. Met zijn ongeluk heb ik geen medelijden. En Mirjam zal ik blijven straffen met mijn bedreiging.”
Zij ziet zijn gezicht vertrekken, zijn ogen vonken. Zij ziet de ondefinieerbare grimas, de onheilspellende diepte van bet
235